Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hitte

betekenis & definitie

HITTE, gew. ook HETTE, v. gloeiende warmte, heetheid: koude en hitte; de hitte der zon, van het vuur; door te groote hitte verschroeit het gebraad; (van de temperatuur van de lucht) er heerscht eene ondraaglijke hitte;

— (van de temperatuur van het bloed) de hitte van de koorts;
— (fig.) (van hartstochten) vurige drift, hevige begeerte enz.: in de hitte zijner jeugd; (ook) in de hitte van den strijd, van de vervolging, in het heetst van den strijd, van de vervolging;
— (techn.) gloeihitte, de temperatuur waarop ijzer enz. begint te gloeien: een staaf tot kersroode hitte verwarmen, roodgloeiend maken.