Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WARMTE

betekenis & definitie

WARMTE - v. gewaarwording die wij hebben als wij in de nabijheid van warme voorwerpen komen, (ook) de oorzaak dezer gewaarwording: veel warmte verdragen kunnen; de warmte der kachel verkwikt 's winters; er heerscht heden eene ondraaglijke warmte, temperatuur; de warmte van het bloed, de temperatuur;

— (nat.) moleculaire beweging; de warmte zet alle dingen uit; eigen warmte, dierlijke warmte, de warmte die de dieren hebben als gevolg der stofwisseling;
— stralende warmte, warmte opgewekt door een warm voorwerp dat zich op eenigen afstand bevindt, in tegenst. met geleidingswarmte, waarbij het verwarmende voorwerp met dat wat verwarmd wordt, in aanraking is;
— vrije warmte, die waar te nemen is;
— gebonden, latente warmte, die niet waar te nemen is;
soortelijke warmte, de verhouding tusschen de hoeveelheden warmte die eene zekere gewichtshoeveelheid der stof en die eene gelijke hoeveelheid water voor dezelfde rijzing in temperatuur behoeven; water heeft de grootste soortelijke warmte;
— (fig.) gloed, vuur; iem. met warmte verdedigen, toespreken; de warmte van zijn stijl, zijner verbeelding.