Kijken betekenis & definitie

KIJKEN, (keek, heeft gekeken), met aandacht naar iets zien; zien ik heb overal gekeken, maar ik heb hem niet gezien; — hij kijkt zuur, leelijk, onvriendelijk; — uit zijn oogen kijken, goed opletten, voor iets zorg dragen; kijken kost geen geld, kost niets (m. a. w. bekijk de koopwaar maar gerust); — (fig.) daar sta ik van te kijken, daar ben ik zeer verwonderd over — terwijl de anderen hard werken, slaat hij maar te kijken, voert hij niets uit, speelt hij den luiaard; — op zijn neus kijken, verlegen voor zich zien; hij zal raar op zijn neus kijken, als hij dat hoort, teleurgesteld zijn; — kijken, gelijk een hond op eene zieke koe, onnoozel, dom, dwaas kijken — te diep in het glaasje kijken, zich bedrinken; — voor zoo’n examen komt heel wat kijken, heeft men heel wat kennis noodig; — daar komt voor eene vrouw alleen heel wat kijken met zoo’n huishouden, het is eene zeer lastige en zware taak voor haar; — hij komt pas kijken, hij is nog jong, nog onervaren in iets; — ik zal nog eens kijken, mij nog eens bedenken; — prenten, platen kijken, bekijken; — kijk. hem eens uitroep van bewondering, van bespotting; — iem. de woorden uit den mond kijken, iem. die spreekt pal naar den mond zien, (ook) hem bewonderend of nieuwsgierig aankijken; — hij kijkt zich de oogen uit het hoofd, kan zich aan het gezicht van iets niet verzadigen; — de kat uit den boom kijken, voorloopig eene afwachtende houding aannemen. KIJKING, v. het kijken.

Gepubliceerd op 13-09-2018