Kaaier betekenis & definitie

KAAIER, m. (-s), (zeew.) een valsche kaaier, harde schok of bons van een schip, doordat eene golf er tegen breekt en het op zijde duwt: „Wat was dat daar voor een stoot ? vraagt de heer Z — „Och, meneer,” antwoordt een oud matroos, „dat heeft niks te beduiden, ‘t is maar een valsche kaaier.”

Laatst bijgewerkt 13-09-2018