Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Huwen

betekenis & definitie

HUWEN, (huwde, heeft en is gehuwd), een huwelijk aangaan, in den echt treden, trouwen : hij huwt met de dochter van zijn patroon; ik ben gehuwd; een gehuwd paar;

— met iemand trouwen : hij heeft eene rijke erfdochter gehuwd;
— doen huwen, ten huwelijk geven, uithuwelijken : zijne dochter aan een braven man huwen;
— (fig.) paren, vereenigen : naarstigheid huwen aan deugd.