Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Trouwen

betekenis & definitie

Trouwen - (trouwde, heeft en is getrouwd), huwen, door het huwelijk vereenigd worden: wanneer denken de jongelui te trouwen ?; in de kerk trouwen, het huwelijk laten inzegenen ;

— huwen, ten huwelijk nemen; een rijk meisje trouwen; in den echt verbinden ; dominee B. heeft ons getrouwd ;
— hij is er niet aan getrouwd, hij zit er niet aan vast.