Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hocus-pocus

betekenis & definitie

HOCUS-POCUS, v. goochelarij, goochelkunst; (ook) de tooverformule die de goochelaars uitspreken: hocus-pocus! en de zakdoek was weg; hij speelt hocus-pocus-pas; (ook schertsend verlengd) hocus-pocus, pilatus, platneus! ook HOCUS BOLLEBOCUS.