Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hinken

betekenis & definitie

HINKEN, (hinkte, heeft gehinkt), mank gaan: hij hinkt, want hij heeft zijn voet verstuikt;

— (w. g. ) niemand hinkt van een andermans zeer, niemand kan de zorgen van een ander beoordeelen, (ook) het leed van den een laat den ander koud;
— het hinkende paard komt achteraan, de bezwaren komen achteraan;
— (fig.) dat hinkt, het sluit niet;
— op twee gedachten hinken, besluiteloos zijn;
— (ook) hinkelen.