Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heup

betekenis & definitie

HEUP, v. (en), (ontl.) die deelen van het lichaam welke het heupgewricht vormen en omgeven; de heup ontwrichten, wanneer het dijbeen uit de geleding gerukt wordt;

— (bijb.) uit iemands heup gesproten (of voortgekomen) zijn, van hem afstammen;
— inz. als benaming voor de ter weerszijden uitstekende deelen van het lichaam, tusschen lendenen en dijen zwaar van heupen zijn; gord het zwaard aan de heup;
— (zegsw.) het op zijne heupen hebben (of krijgen), slecht gehumeurd zijn, telkens opspelen, (ook) in buitengewonen ijver bezig zijn;
— (ook) een kussentje dat de vrouwen soms op de heup dragen om de rokken op te houden. HEUPJE, o. (-s).