Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VORMEN

betekenis & definitie

VORMEN - (vormde, heeft gevormd), een zekeren vorm aannemen : die straten vormen een kruis;

— een kring vormen, in een kring gaan zitten of staan ;
uitmaken, zijn : de Maas vormt de noordelijke grens van NoordBrabant; het vogelbekdier vormt den overgang der viervoetige dieren tot de vogels;
— een zekeren vorm geven : brood, flesschen, figuren vormen; de mensch is gevormd naar Gods beeld; een welgevormd meisje ;
— maken : een leger vormen ; nieuwe woorden vormen door afleiding en samenstelling; plannen, ontwerpen vormen;
— beschaven, leeren, onderrichten : de jeugd, jonge harten vormen;
— den smaak, iemands karakter vormen, geleidelijk ontwikkelen;
— (R.-K.) het vormsel toedienen ;
— zich vormen, zich samenstellen, ontstaan : zoo vormt zich het veen; de klei vormt zich uit bezinkingen; (fig.) zich beschaven. VORMING, v. (-en), het vormen; beschaving, leering.