Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heupbeen

betekenis & definitie

HEUPBEEN, o. (-deren), (ontl.) het grootste been van den romp, bestaande uit het darmbeen, schaambeen en zitbeen;

...BREUK, v. (-en), (geneesk.) het breken van de heup;
...GEWRICHT, o. (-en), (ontl.) het gewricht dat zich in de heup bevindt: de uitholling in het heupbeen en het hoofd van het dijbeen;
...GORDEL, m. (-s), (w. g.) een gordel dien men om de heup draagt, draagband;
...JICHT, v. (geneesk.) zenuwpijn van de heup tot de voetzool, ischias;
...KOM, v. (-men), (ontl.) de komvormige holte in het heupbeen waarin het hoofd van het dijbeen sluit;
...ONTWRICHTING, v. (-en);
...SPIER, v. (-en);
...PIJN, v.;
...WEE, o. (...weeën), (geneesk.) heupjicht;
...ZIEKTE, v. (-n), (geneesk.) ontsteking van het heupgewricht.