Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Slaan

betekenis & definitie

Het begrip slaan heeft 2 verschillende betekenissen:

1. slaan - SLAAN - (sloeg, heeft en is geslagen), iem. een of meer slagen toebrengen met het doel hem te bezeeren : kinderen, een paard slaan ; iem. om de ooren, voor *t hoofd, in 't gezicht slaan, hem daar slagen toebrengen ;
— zich voor ’t hoofd slaan, uit spijt of ergernis ;
— (fig.) ’t is om zich voor ’t hoofd te slaan, om flink spijt er over te hebben;
— (fig.) iem. in ’t gezicht slaan, grof beleedigen ;
— met aanduiding hoe men iem. treft: iem. een blauw oog slaan; iem. bont en blauw, lam, kreupel, dood slaan; iem. diepe wonden slaan, al slaande toebrengen;
— (fig.) de liefde slaat diepe, gevaarlijke wonden;
— met aanwijzing waarmee men slaat: met de vuist, met handen en voeten, met een stok slaan;
— -(spr.) wie een hond wil slaan, kan gemakkelijk een stok vinden, wie iem. wil straffen, kan gemakkelijk een voorwendsel daartoe vinden ;
— er maar op los slaan, in ‘t wilde, zonder toe te zien, waar de slagen terechtkomen ;
— naar iem. slaan, hem trachten te treffen;
— naar iets slaan, (fig.) er naar raden;
— (spr.) hij slaat er naar, als een blinde naar het ei, (ook) er in den blinde naar slaan, geheel zonder grond gissen ;
— (fig.) dat slaat op mij, dat doelt op mij, gaat mij aan ;
— hij slaat zich met zijn eigen woorden, wapens, hij verdedigt zich zeer onhandig;
— een paard slaat achteruit, zelden vooruit;
— de vogel slaat met de vleugels, klapwiekt;
— iem. den hoed van ’t hoofd slaan, hem zóó treffen, dat zijn hoed hem van het hoofd vliegt;
— iem. het hoofd van den romp slaan, hem dooden ;
— zich door den vijand heen slaan; (fig.) zich ergens doorheen slaan, zich uit moeilijkheden weten te redden ; zich door het werk heen slaan, het een beetje minder zorgvol afmaken;
— overwinnen : den vijand, een admiraal, iem. slaan;
— (spel) hij heeft mij geslagen, de partij gewonnen ;
— (damspel) eene schijf slaan, wegnemen, winnen ; -
— een record slaan, winnen, een afstand in minder tijd afleggen ; een grooteren afstand afleggen, eene grootere hoogte bereiken, enz.;
— een slag slaan, een slag toebrengen; (fig.) zijn slag slaan, van de goede gelegenheid gebruik maken;
— (fig.) ergens een slag naar slaan, er naar gissen :
— den vijand op de vlucht slaan, hem zóó treffen, dat hij vlucht ;
— den vijand uit het veld slaan, zóó dat hij vlucht;
— (fig.) iem. uit het veld slaan, hem zóó bejegenen dat hij niet meer durft, dat hij beteuterd is enz.
— dooden, slachten: ossen slaan; (bijb.) ik zal alle eerstgeborenen in Egypte slaan ;
— treffen, bezoeken : (bijb.) de Heer zal u met tering, met ziekte slaan;
— Gods hand slaat en heelt, God schenkt leed en vreugde ;
— hij schijnt met blinddheid geslagen, hij schijnt wel blind te zijn (dat hij zoo iets niet ziet);
— het is hem in *t hoofd geslagen, hij is gek geworden ;
— iets herhaaldelijk treffen, slagen toebrengen, om een zeker doel te bereiken : een paal in den grond, een spijker in den muur slaan, met slagen er in drijven;
— den spijker op den kop slaan, hem juist op de goede plaats treffen;
— (spr.) hij slaat den spijker op den kop, raadt het juist, noemt juist de hoofdzaak ;
— op een aanbeeld slaan; (spr.) hij slaat altijd op hetzelfde aanbeeld, komt altijd op dezelfde zaak neer ;
— iets aan {in) stukken slaan ;
— eieren in de pan slaan; geslagen eiwit, tot schuim geslagen : geslagen room;
— den bal over den grond, op het dak slaan; stof uit de stoelen slaan ;
— verder in allerhande bedrijven : haar. wol, vilt slaan, haar of wol met den hoedenmakersboog tot vilt verwerken ;
— deeg slaan, beslaan ;
— • kalk slaan, aanmaken ;
— turf, plaggen slaan, met eene soort van zeis of sikkel van den veengrond slaan;
— water naar buiten slaan, met een watermolen;
— zijn water slaan, het loozen;
— vasthechten, vastspijkeren : een huurbordje aan een huis slaan ;
— iem. aan het kruis slaan, hem kruisigen ;
— iets aan den haak slaan, om er mede te visschen ;
— een slachtbeest aan den haak slaan, het schoon ophangen ;
— ; (fig.) iem. aan den haak slaan, aan boord klampen, hem voor iets trachten te winnen;
— hechten : geloof aan iets slaan ;
— ;

slaan met het doel om wat te maken, wat voort te brengen: een gedenkpenning slaan;
— stempelen : geld, munt slaan; (fig.) ergens geld uitslaan, er zijn voordeel mee doen;
— (spr.) ergens de huur uit slaan, er zooveel mee verdienen dat men er de huur van betalen kan;
— (spr.) ergens een slaatje uit slaan, er een aardig voordeeltje uit halen;
— vuur slaan, met een staal (vuurslag) uit een vuursteen vonken slaan, welke op zwam of tonder vallen, die ; hierdoor vuur vat;
— olie slaan, persen ;
— het last van dat lijnzaad slaat 8. H. L. olie, levert zooveel ; olie op;
— touw slaan, maken, draaien; een touw slaan om, winden om ;
— een kabelslag slaan, winden;
— (bijb.) slaat uwe sikkelen tot spiesen, smeedt ze daarin om;
— eene brug slaan. over eene rivier slaan, leggen, maken;
— iem. tot ridder slaan;
— spijkers met koppen slaan, (fig.) de zaken flink af doen;
— een kruis slaan, (R.-K.) bij het bidden enz.;
— j slaan om een geluid voort te brengen, al slaande iets aankondigen, doen kennen: den roffel slaan; de trom, de luit slaan, bespelen ; de reveille, de taptoe, alarm slaan ; den stormmarsch, den aanval, den aftocht slaan, daartoe op de trom het sein geven ;
— (muz.) de maat slaan, aangeven ;
— den triller slaan, zingen of spelen ;
— de klok slaat 6 uur; heeft de klok al geslagen ?;
— (spr.) hij heeft de klok hooren slaan, (maar weet niet waar de klepel hangt), hij heeft j iets vernomen, maar weet niet het rechte;
— het geweer slaat geweldig, geeft een geweldigen slag;
— zeer luid, ver hoorbaar en toch schoon zingen, goed gearticuleerde strophen voortbrengen; de nachtegaal, de vink slaat;
— met de deur slaan, ze luid dichtsmijten ;
— met de tong slaan, een eigenaardig ; geluid maken om paarden aan te zetten ;
— (spr.) zijne tong slaat dubbel of slaat zwaar, (ook) zijne tong slaat ijzer, slaat kadvl, men kan aan zijn spreken hooren, dat hij dronken is ;
— zich herhaaldelijk en met zekere kracht heen en weer bewegen, ergens tegenaan komen en daarbij een min of meer hoorbaar geluid maken : het water slaat tegen het schip, tegen den dijk, klotst;
— de zeilen slaan tegen den mast, klapperen :
— de golven slaan over het schip, storten ;
— het hart, de pols slaat, klopt;
— soms drukt slaan alleen eene zekere snelheid of iets plotselings uit; plotseling vallen : hij slaat uit het raam, van denwagen, tegen den grond, met het hoofd tegen den steenen; de damp slaat mij tegen den borst, belemmert mij in de ademhaling;
— snel doordringen : de regen slaat door het dak, de inkt : slaat door het papaier; iets door eene teems slaa, het naar binnen slaan, het snel opeten of opdrinken, ; brassen ;
— (gen.) de mazelen, de pokken slaan naar ; binnen, kunnen niet uitwerken;
— de melk slaat ; door het bloed, van eene zoogende vrouw of melk; gevend dier gezegd :
— de vorst slaat uit den grond, ; vertoont zich naar buiten ;
— de vlam slaat uit het dak, vertoont, verheft zich buiten het dak;
— de bliksem is in den toren geslagen, heeft hem getroffen ;
— de schrik is hem in de beenen geslagen, hij is van schrik verlamd ;
— beginnen : het paard slaat op , hol; (fig.)hij slaat aan ’t hollen, weet zich niet meer ; te bedwingen ;
— op de vlucht slaan, beginnen te vluchten ;
— uit den aard slaan, geheel anders wor den, inz. den verkeerden weg opgaan;
— wortels slaan, wortel schieten;
— de snoek slaat, schiet plotseling weg ;
— richten, wenden : het oog naar boven slaan; de oogen ten Hemel, ter aarde slaan;
— het oog op iets, iem. slaan, beschouwen, er naar verlangen;
— een oogje op een meisje slaan, op haar verliefd worden ;
— acht op iem., iets slaan, er op letten, er goed acht op geven ;
— de hand aan het werk slaan, er flink mede beginnen ;
— ik heb er geene hand aan geslagen, ik heb er niets aan gedaan ;
— de handen aan iets slaan, schenden, ontwijden;
— de handen aan zichzelf slaan, zelfmoord begaan ;
— snel omdoen : een mantel om het lijf, em doek om ‘t het hoofd slaan;
— de armen iem. om den hals slaan, omhelzen ;
— de armen over elkander slaan, niets doen, (ook) zich verwonderen ;
— iem. in boeien slaan, hem boeien ;
— iem. schoen op de leest slaan, zetten ;
— iets in den wind slaan, zich er niet om bekreunen, inz. om goeden raad;
— -iets van de hand slaan, het afwijzen ;
— de deur slaat naar buiten, draait;
— een toast slaan, afsteken ;
— thee slaan (van studenten), bij een professor een kop thee drinken;
— (gemeenz.) drukte, branie slaan, hebben, maken;
— (Ind.) uitvaardigen: een besluit, een vonnis slaan. t

2. slaan - SLAAN - o. het slaan : het slaan der paarden, achteruittrappen; het slaan der nachtegalen, afgebroken luid en schoon fluiten; het slaan van den pols, van het hart, het kloppen ; het slaan van de klok.