Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grootluik

betekenis & definitie

GROOTLUIK, o. (-en), (scheepst.) het luik vlak voor den grooten mast in elke der dekken; de opening door al die luiken afgesloten en dat door alle dekken tot in het ruim doorgaat.