Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Groothouden )zich

betekenis & definitie

GROOTHOUDEN (ZICH), (hield zich groot, heeft zich grootgehouden), zich kloek gedragen (bij lichamelijk leed of ongemak): de operatie deed zeer veel pijn, maar hij hield zich groot;

— zich houden alsof men iets niet bespeurt of het zich niet aantrekt: hij bemerkte wel dat die opmerking als eene hatelijkheid bedoeld was, maar hij hield zich groot; tegenover anderen doen alsof men tot de grooten behoorde, stand ophouden, zich royaal betoonen hij kon wel niet anders doen dan zich groothouden en gaf ook een rijksdaalder voor het goede doel.