Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

2020-02-24

Kloek

betekenis & definitie

Het begrip kloek heeft 2 verschillende betekenissen:

1. kloek - KLOEK v. (-en), klokhen: eene kloek met twaalf kuikens.

2. kloek - KLOEK bn. bw. (-er, -st), fiksch, sterk, gezond, welgebouwd: de bewoners dezer eilanden zijn kloeke kerels; een kloek krijgsman, gespierd, (ook) onvervaard; een kloek kind, gezond, blozend, groot voor zijn leeftijd; flink, mannelijk, dapper hij heeft zich kloek gehouden; een kloek gedrag; een kloek besluit; een kloek antwoord; wijs, schrander een kloeke kop; eene kloeke huisvrouw is eene kroon; (Zuidn. ook) kloek eten, gezond, voedzaam; dat huis is kloek gemaakt, sterk, stevig; kloeke beenen hebben, sterk, flink.