Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gortig

betekenis & definitie

bn. (-er, -st), (van varkens en hun vleesch) aan den blaasworm lijdend, garstig, vinnig: een gortig varken, dat aan het gort lijdt;

— dat spek is gortig, garstig;
— (ook) vuil, smerig (van varkens en van personen);
— hij maakt het al te gortig, of hij heeft het gortig laten liggen, hij maakt het al te bont. GORTIGHEID, v. garstigheid.