Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VLEESCH

betekenis & definitie

VLEESCH - o. spiermassa der dieren, inz. der warmbloedige dieren: de Katholieken eten geen vleesch op onthoudingsdagen, wel visch; mager, vet vleesch; gezouten, gerookt, gebraden vleesch; dat paard zit goed in zijn vleesch, is nogal vleezig; die boerin is net een klomp vleesch, vreeselijk dik en log;

— wild vleesch, dat in eene heelende wonde te veel groeit;
— de nagel is in ’t vleesch gegroeid; in *t vleesch snijden, door de huid heen;
— (spr.) geen vleesch zonder been, niets zonder gebreken;
— hij is visch noch vleesch, men weet niet wat men aan hem heeft; weten wat voor vleesch men in de kuip heeft, met wien men te doen heeft;
— (schild.) de vleeschkleur : hij weet het vleesch treffend weer te geven;
— (fig.) de mensch, inz. in betrekking tot zijne zinnelijke natuur: alle vleesch is sterfelijk, alle menschen moeten sterven; den weg van alle vleesch gaan, sterven; het gaat hem naar den vleeze, zijne zaken gaan goed;
— handelaar in warm vleesch, in blanke slavinnen; (bijb.) het vleesch is zwak, kan niet altijd aan de slechte neigingen weerstand bieden;
— het vleesch dooden, alle zinnelijke neigingen onderdrukken;
— zijn welig vleesch begint te jeuken, hij springt uit den hand;
— (bijb.) man en vrouw zullen één vleesch zijn, zich vleeschelijk vermengen;
— bemind vleesch hebben, gezegd van een meisje die verscheidene vrijers kan krijgen;
— zijn eigen vleesch en bloed, zijn kind of kinderen;
— het eetbare, sappige deel der vruchten, vruchtvleesch;
—, (vleezen) eene soort van vleesch of vleeschspijs : er moeten drie vleezen klaargemaakt worden.