Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gemeenschap

betekenis & definitie

GEMEENSCHAP, v. het gemeen hebben van iets de gemeenschap van belangen;

— (bijb.) het deelhebben der geloovigen aan de zegeningen van Christus en den Heiligen Geest: de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen; het brood dat wij breken, is dat niet eene gemeenschap des lichaams Christi ?;
— in gemeenschap, gezamenlijk, samen zij handelen in gemeenschap;
— (rechtst.) gemeenschap van goederen, de vermogenstoestand tusschen echtgenooten, wanneer er geene huwelijksche voorwaarden zijn gemaakt;
— huwen in gemeenschap van winst en verlies, zoodat ieder blijft in het bezit van zijn eigen goed, terwijl dat wat staande het huwelijk gewonnen of verloren wordt samen wordt gedeeld;
— huwen in gemeenschap van vruchten en inkomsten, eene nog meer beperkte gemeenschap, die alleen de winst, niet het verlies, omvat:
— (rechtst.) iets in gemeenschap brengen, het ten gemeenen behoeve doen strekken;
— (Zuidn.) in gemeenschap met iemand treden, zich in gemeenschap met hem vereenigen, eene vennootschap met hem aangaan;
— betrekking, omgang, verstandhouding: ongeoorloofde gemeenschap met den vijand;
— gemeenschap met iemand hebben (of houden), tot hem in betrekking staan;
— geslachtsomgang tusschen man en vrouw geslachtelijke, vleeschelijke gemeenschap;
— verkeer, verbinding: de gevangene was van de gemeenschap met de buitenwereld afgesloten; de telegrafische gemeenschap is verbroken;
— het schip stond in draadlooze gemeenschap met Scheveningen, daarmede konden draadlooze telegrammen gewisseld worden;
— het huis had door eene gang gemeenschap met het klooster, stond door eene gang met het klooster in verbinding;
— middelen van gemeenschap, de hulpmiddelen van het verkeer, de wegen en vervoermiddelen;

—, (-pen), de gezamenlijke personen die tot elkaar in gemeenschap staan de gemeenschap der heiligen, der geloovigen, de gezamenlijke geloovigen;
— de gemeenschap eener kerk, de vereeniging van alle leden van een kerkgenootschap;
— eene wettelijk geregelde vereeniging van personen: zaken aan eene gemeenschap toebehoorende zijn de zoodanige die het gezamenlijk eigendom zijn van een zedélijk lichaam;
— de gemeenschappelijke bezitting, inz. van huwelijksgoederen: de gemeenschap omvat alle de roerende en onroerende goederen der echtgenooten.