Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Christus

betekenis & definitie

CHRISTUS, m. (in de christelijke kerk), de Gezalfde Zaligmaker, de Verlosser, Messias, de Zoon Gods; God Jezus Christus, de Heere Christus;

anno Christi, ante Christum, zie A;
— zoo dom als het paard van Christus, zoo dom als een ezel;
— (Zuidn.) een beenen, een palmhouten Christus, een zeer mager mensch;
— ’t is Christus heet vandaag, allejezus heet, verbazend heet;
— hoe is *t Christus mogelijk, uitroep van verbazing;
— eerenaam der koningen in het Oude Testament.