Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Gebruik

betekenis & definitie

GEBRUIK, o. de daad of de wijze van het gebruiken, van het zich bedienen van iets, inz. met het bijdenkbeeld van duur of herhaling: het gebruik van pen en inkt; het gebruik van iemands hulp en dienst; een lang, kort gebruik; een goed, verkeerd, gepast gebruik; door het gebruik afslijten, doordat iets gebruikt wordt;

— ten gebruike geven, afstaan, laten, toevertrouwen enz., iets geven, afstaan, laten, toevertrouwen enz. om het te gebruiken, om er zich van te bedienen;
— tot of voor zeker gebruik, om op zekere wijze, in zeker geval ol voor zeker doel te gebruiken:
— van veelvuldig gebruik zijn, tot vele doeleinden gebruikt worden of strekken;
— van geen gebruik zijn, tot niets dienen, van geen nut zijn;
— de wijze van behandeling bekend zijn met het gebruik van een werktuig; hij verstaat het gebruik van degen en sabel;
— het bezigen het gebruik van ossenhuiden tot het dempen van wellen; het gebruik van kool tot het zuiveren van drinkwater; het gebruik van lompen tot vervaardiging van papier; het gebruik van vlas tot het maken van linnen; het gebruik van olie in de sla;
— (van spijs of drank) het eten of drinken er van, het genot er van het gebruik van vleesch; na het gebruik van een bordje soep; het gebruik van sterken drank;
— (van geneesmiddelen) het gebruiken er van tot zeker doel, hetzij uitwendig of inwendig: het gebruik van vliegend zout; het gebruik van eene Spaansche vlieg; het gebruik van kinine;
— tot of voor inwendig of uitwendig gebruik, (van geneesmiddelen gezegd) bestemd om inwendig of uitwendig gebruikt te worden;
— (van hulpmiddelen of vermogens) de aanwending er van het gebruik van een ongeoorloofd middel is onzedelijk; het gebruik zijner gaven ten dienste eener slechte zaak;
— (van den tijd) de besteding er van de meeste menschen denken niet na over het behoorlijke gebruik van hun tijd;
— (van woorden, benamingen, grammaticale vormen, redenen, bewijsgronden, spreekwoorden enz.) het bezigen er van het ijdel gebruik van Gods naam is ongepast; het gebruik van spreekwoorden is bij het volk zeer gewoon;
— (rechtsw.) het gebruiken van eene zaak, die een ander toebehoort: het gebruik van bosschen en beplantingen, aan een bijzonderen persoon toegestaan;
— het recht van gebruik, het recht om zich van eens anders zaak te bedienen zonder de baten er van te genieten , minder omvangrijk dan vruchtgebruik;
— (van personen, menschen of dieren) het gebruiken of zich bedienen er van tot zeker doel: het gebruik van een loods, tolk, gids enz.; het gebruik van ossen als trekdieren;
— tot of voor iemands gebruik, om door hem gebruikt te worden;
— voor eigen gebruik, ten einde het zelf te gebruiken;
— gebruik van iets maken, zich van iets bedienen, iets gebruiken van zijne vermogens een vlijtig gebruik maken; van zijne macht en invloed ijverig gebruik maken;
— van iets geen gebruik maken, het niet gebruiken;
— iets in gebruik nemen, gaan gebruiken;
— van eene taal gebruik maken, er zich van bedienen, ze spreken of schrijven;
— van de gelegenheid, van zeker oogenblik gebruik maken, zich de gelegenheid, het oogenblik ten nutte maken;
—van eene gebeurtenis gebruik maken, (t. w. als schrijver) er zich van bedienen als stof voor een geschrift;
— van iemands aanbod, beleefdheid, gunst, uitnoodiging, vriendelijkheid enz. gebruik maken, ze aannemen of zich laten welgevallen en er zoodoende partij van trekken:
— van iemands gastvrijheid, herbergzaamheid enz. gebruik maken, ze zich laten welgevallen en genieten, zich laten onthalen of herbergen;
— van iemands wenken gebruik maken, er zijn voordeel mee doen;
— geen gebruik van iets hebben, het niet gebruiken;
— (van lichaamsdeelen of geestelijke vermogens) het vermogen zich er van te bedienen, de beschikking er over het gebruik der handen, voeten enz. missen; het gebruik der rede hebben; hij heeft het gebruik der spraak verloren;
— (van ruimte-uitgebreidheden) het recht of de bevoegdheid om er zich van te bedienen tot het doel, waartoe zij geschikt of bestemd zijn het gebruik van den tuin was hem toegestaan;

—, (-en), de gewone wijze om iets te doen, te gebruiken of zich van iets te bedienen: een oud, jong gebruik; een eerbiedwaardig gebruik, een wijs, dwaas, vreemd, zonderling gebruik; een gebruik invoeren, in zwang brengen, afschaffen, doen vervallen, veranderen, wijzigen; aan een gebruik gehecht zijn; de ondervinding van alle tijden leert, dat in alle volksmaatschappijen, voor lang tijdsverloop, vele zaken, die voormaals meer op gewoonten of gebruiken berustten, zich tot rechten en verplichtingen vervormen; zij klinken met den kroes, naar vaderlandsch gebruik;
— naar of volgens wet {recht) en gebruik, volgens eene wettelijk vastgestelde (rechtmatige) gewoonte;
— de algemeene, heerschende gewoonte of wijze van doen: het gebruik brengt dit zoo mede;
— in, buiten gebruik zijn, komen, raken, in zwang, in de mode;
— (van rechten) van kracht;
— het gebruik van goede {der beste) schrijvers, de door goede (de beste) schrijvers algemeen aangenomen wijze van schrijven: door het gebruik van goede schrijvers heeft het woord omgeving het burgerrecht gekregen;
— (rechtsw.) een door de wet erkend gebruik, eene gewoonte, door de wet als geldig erkend en dus tot het gewoonterecht behoorende: een vast gebruik; een plaatselijk, stedelijk, gewestelijk gebruik;
— het gebruik, de van oudsher bestaande gewoonte.