Wat is de betekenis van gebruik?

2019
2021-05-17
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gebruik

gebruik - Zelfstandignaamwoord 1. een standaard manier van doen Het schudden van de rechterhand is, in Nederland, het gebruik om een onbekende te begroeten. 2. toepassen van iets Het gebruik van een woordenboek is aan te raden voor het controleren van de...

Lees verder
2018
2021-05-17
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gebruik

gebruik - zelfstandig naamwoord uitspraak: ge-bruik 1. het ergens voor benutten ♢ deze koffie is voor eigen gebruik 1. het in gebruik nemen [beginnen te gebruiken] ...

Lees verder
2009
2021-05-17
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

gebruik

(het; g.mv.) SP - het gebruiken, aanbrengen, innemen, injecteren, aanwenden of op wat voor wijze dan ook consumeren van (een) verboden stof(fen) en/of (een) verboden metho- de(n).: ook als tweede lid in samenst. als de volgende, waarin het eerste lid een doping-middel noemt: dopegebruik, dopinggebruik, epogebruik, pilgebruik.

1990
2021-05-17
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

gebruik

gebruik - Het vermogen of de manier om de waarde van iets te benutten, in bezit te hebben, toe te passen of te exploiteren.

1952
2021-05-17
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gebruik

s.n., gebrûk (it), brûkme (it); (gewoonte), brûkme (it), wizansje; in gemeenschappelijk —, mansael, massael; voor het —, to brûken; door beter worden, bibrûke; als boer in hebben, bibuorkje; buitenraken, efter ’e bank rei...

Lees verder
1933
2021-05-17
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gebruik

Gebruik - 1° (Recht), ➝ Gewoonterecht. 2° (Liturg.) ➝ Consuetudines.

Lees verder
1916
2021-05-17
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gebruik

Gebruik - 1) Het g. eener zaak behoort in het algemeen aan den eigenaar (625 B.W.). Het kan echter ook aan een ander toekomen en wel krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. Krachtens zakelijk recht behoort het gebruik aan den erfpachter (767 B.W.), den beklemden meier (zie BEKLEMMING), den vruchtgebruiker (812 B.W.), den gebruiker (zie hierond...

Lees verder
1898
2021-05-17
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gebruik

GEBRUIK, o. de daad of de wijze van het gebruiken, van het zich bedienen van iets, inz. met het bijdenkbeeld van duur of herhaling: het gebruik van pen en inkt; het gebruik van iemands hulp en dienst; een lang, kort gebruik; een goed, verkeerd, gepast gebruik; door het gebruik afslijten, doordat iets gebruikt wordt; — ten gebruike geven, afst...

Lees verder
1870
2021-05-17
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gebruik

Gebruik (Het) is het behoorlijk bezigen van de eene of andere zaak, en het verkeerd bezigen daarvan noemt men misbruik. Voorts heeft gebruik ook de beteekenis van gewoonte. Men spreekt van taalgebruik, namelijk van eene wijze van uitdrukking, aan deze of gene taal eigen. Ook noemt men gebruiken zekere handelingen (ritus, ceremoniae), die men van ou...

Lees verder