Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Ernst

betekenis & definitie

ERNST, m. overeenstemming tusschen hetgeen men in woord of daad uit, met hetgeen men meent of wil iets in ernst zeggen (tegenst. scherts);

— ‘t is mij heilige ernst, ik meen het ten volle;
— ernst met iets maken, een doel met inspanning van alle krachten zoeken te bereiken;
— met ernst studeeren, gezet, ingespannen;
— iem. iets met ernst onder ‘t oog brengen, met nadruk, met klem zeggen;
— nu wordt het ernst, nu zal het er spannen, zullen we ons moeten inspannen;
— die eigenschap van iets, waardoor het de gedachte aan scherts, aan iets lichts uitsluit: de ernst des levens; de ernst der tijden gevoelen; aan den ernst zijner woorden viel niet te twijfelen;
— datgene in iemands uiterlijk, gebaren enz. waaruit blijkt, dat hij niet schertst, of dat hij vervuld is van het gevoel, naar iets gewichtigs te streven, kalme bedaardheid en bezonnenheid: de onverstoorbare ernst zijner gelaatstrekken; een gelaat dat mannelijken ernst uitdrukt;
— (bij uitbr.) gelaatsuitdrukking enz. van iemand die zelden lacht;
— genre van letterkundige voortbrengselen of wijze van voordragen, waarbij niet op het grappige gewerkt wordt; ernst en luim; den eersten prijs voor ernst bij een rederijkerswedstrijd.