Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Dunken

betekenis & definitie

DUNKEN, (mij (4 n.) dunkt, mij dachten docht), eene meening hebben (over iets): wat dunkt u er vani; mij dunkt, dat.... (vaak slechts als beleefdheidsvorm); (evenzoo) naar mij dunkt, naar het mij voorkomt;

— die zaak dunkt mij goed, komt mij goed voor; (veroud.) zich laten dunken, gelooven, meenen, zich inbeelden. (Vgl. laatdunkend); zie DENKEN.