Cacao betekenis & definitie

CACAO, v. het zaad (de boonen) van den cacaoboom, waarvan de chocolade bereid wordt; Ecuador voert de meeste cacao uit; — de poedervormige stof die verkregen wordt door de boonen te roosten, fijn te malen en van hare vetdeelen te ontdoen: een busje cacao; zuivere oplosbare cacao; — de drank dien men verkrijgt door de cacao in warm water of melk op te lossen wilt ge een kop cacao ?

Laatst bijgewerkt 01-09-2018