ZAAD betekenis & definitie

ZAAD, o. (zaden), plantvoortbrengsel waaruit, als het gezaaid is, eene dergelijke plant voortkomt : die planten geven veel zaad, brengen geen zaad voort; de sla is in het zaad geschoten; het zaad komt op; — het gezaaide : het zaad is in den grond; (spr.) wat men aan het zaad spaart, verliest men aan den oogst, verkeerde zuinigheid deugt niet; — het was een slecht jaar, de boeren kregen hun zaad niet terug, de oogst leverde minder op dan er uitgezaaid was; — (fig.) kiem, oorsprong : de zaden der deugd, der eerzucht in de harten der kinderen strooien; het zaad der tweedracht uitstrooien; — bijzondere soorten van zaad : graan, vogeltjeszaad, oliezaad : wit en zwart zaad voor de vogeltjes; — eens zien of er nog zaad in het bakje is, geld in kas is; — (spr.) op zwart zaad komen of zitten, zonder geld zitten, bekrompen moeten leven; — iem. op zwart zaad zetten, uit zijne betrekking ontslaan; — die olieslager kocht 50 last zaad; — teelvocht van menschen en dieren : mannelijk en vrouwelijk zaad; — (fig.) kinderen, nakomelingen (inz. in bijbelst.) : Abrahams zaad; en ook deze liet geen zaad na; zie ZAADJE.

Laatst bijgewerkt 06-12-2018