BAAK betekenis & definitie

v. (baken) meestal in het meerv.; ook BAKEN, o. (bakens), (zeew.) elk vast merk, dat een loods of schipper het vaarwater aanwijst, als kustlichten, torens, palen in en langs het water, tonnen in het water vastgelegd enz.; — (gew.) een vuur als eene baak, een helder vuur; — vuurtoren; zie verder BAKEN; — (waterst. en krijgsw.) staak of paal ter aanduiding van eene richting; van onderen gewoonlijk voorzien van een ijzeren schoen om hem in den grond te steken en van boven soms van een vlaggetje; (fig.) hij was mij eene baak op de levenszee, een wegwijzer; vgl. vraagbaak; — (Z. A.) baken steken, van het paard vallen.

Laatst bijgewerkt 31-08-2018