Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

Aanzienlijk

betekenis & definitie

AANZIENLIJK, bn. en bw. (-er, -st), door stand, vermogen of macht boven anderen verheven: eene aanzienlijke familie;

— de aanzienlijksten des lands, de notabelen, de eersten;
— aanzien gevende: van aanzienlijken huize;
— eene aanzienlijke som (gelds), zeer groot,
— (Z. A.) schoon om aan te zien, welgemaakt, mooi gevormd: eene aanzienlijke vrouw;
— zeer aanmerkelijk, in hooge mate; dat is aanzienlijk beter.