Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Familie

betekenis & definitie

FAMILIE, v. (-s, ...liën), FAMIELJE, v. (-s), gezin je hebt al eene heele, eene groote familie;

— huisgenooten hoe maakt het de familie ? de heer en mevrouw B. en familie, en huisgenooten; eene uitgebreide familie, een wijdvertakt geslacht;
hij is nog familie van me, is een bloedverwant;
— het is nog in de familie, wij zijn nog aan elkaar verwant;
— familie van Adamswege, van den kant van Adam (en Eva), van het honderdste knoopsgat, bloedverwantschap die men niet of bijna niet kan uittellen;
— van je familie moet je ’t maar hebben, vol bitterheid gezegd, als familieleden elkander benadeelen of belasteren;
— het zit in de familie, is een familie zwak;
— (spr.) hij behoort tot de familie van Jan Tabak, hij vertoeft gaarne lang onder het rooken van zijn pijpje;
— hij is (van de familie) van Kleef, is zeer inhalig;
— (nat. hist.) geheel van geslachten (van planten en dieren) die in hoofdzaak met elkaar overeenkomen.