Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-11-2017

aannemen

betekenis & definitie

Aannemen - (nam aan, heeft aangenomen), iets, dat aangereikt wordt uit handen van een ander overnemen; - aannemen! toeroep tot en antwoord van den bediende in een koffiehuis, wanneer men iets wenscht te bestellen; (bij het hooren van scherpe, hatelijke woorden door een derde gebezigd), dien kunt ge in den zak steken; overnemen: eene boodschap aannemen; in zich opnemen: iets aannemen van hem, met wien men omgaat, (eigenaardigheden, manieren);

aanleeren: die jongen is goed van aannemen, leert gemakkelijk; het aangebodene of gegevene gaarne ontvangen, niet weigeren, niet afslaan, er genoegen in nemen, laten welgevallen, ter harte nemen: geld, aalmoezen, aanbod, belofte, verzekering, verzoek, bede, verontschuldiging, eene uitnoodiging, eene uitdaging, een raad enz. aannemen; (recht.) eene schenking aannemen, bij schriftelijke akte aanvaarden; - eenen wisselbrief aannemen, accepteeren; - een voorstel, een wetsontwerp aannemen, met meerderheid van stemmen goedkeuren; - (fig.) iets voor goede munt aannemen, iets opvatten als ernstig gemeend, en er geloof aan hechten; - een regel, een maatstaf, een gedragslijn, eene leus aannemen, goedkeuren en zich eraan houden; - iets voor echt, als waar, aannemen, erkennen; - eene leer, een godsdienst aannemen, omhelzen; gelooven: gaarne wil ik aannemen; onderstellen, (wisk.); zich zelven geven, (eene kleeding, eenen naam, een titel, stem enz.), het tegengestelde van afleggen; op zich nemen iets te doen, uit te voeren: een werk, eene levering aannemen; ondernemen, beginnen: de reis, den tocht, den terugkeer aannemen; iem. in gunst, in liefde ontvangen: in genade aannemen, vergiffenis schenken; in dienst nemen (werk-, krijgs- en scheepsvolk); opnemen als lid in eene vereeniging (voorgedragenen, candidaten), in een kerkgenootschap (catechisanten), in eene handelszaak (als compagnon); - als of tot kind aannemen, als eigen kind opnemen en behandelen, adopteeren; erbarmen, ontfermen: Och, neem U (3. nv.) dan onzer aan; - (zeew.) het aannemen der zee, het hooger loopen der golven.