Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Handen

betekenis & definitie

HANDEN, (handde, heeft gehand), (voor de hand) passen, geschikt zijn, handig gelegen of geplaatst zijn dat werk handt mij niet, ik kan er niet handig mee te recht;

— het handt hem goed, hij heeft er goed den slag van;
— (gew.) het handt hem niet, hij heeft er geen zin in, hij doet het met tegenzin;
— ga liever rechts staan, dat handt mij beter, dan kan ik het werk gemakkelijker verrichten;
— dat mes handt mij niet, mijne hand staat er als verkeerd mee, ik kan er niet vlug en gemakkelijk mee werken.