aanhouden betekenis & definitie

Aanhouden - (hield aan, heeft aangehouden); iemand aanhouden, aanspreken, meest met vijandige bedoelingen; staande houden en gevangennemen; in zijn dienst behouden; (bij een veiling) niet toewijzen; - een paard aanhouden, in toom houden;

(rijk.) aanhouden en nageven, den teugel strak houden en laten vieren; een kaart aanhouden, aftroeven; tegenhouden, in beslag nemen; - een touw aanhouden, (zeew), niet verder vieren; boosdoeners aanhouden, verbergen; dieren aanhouden, opvangen, in zijn bezit houden, niet vervreemden; vee aanhouden, aanfokken, niet verkoopen of slachten; - eene studie aan houden, voortgaan met; - rechtzaken, voorstellen aanhouden, de afdoening ervan uitstellen; aan het branden houden; onderweg stilhouden, aanleggen; gaan of sturen in de richting van; volharden; met aandrang vragen of verzoeken; - om de hand aanhouden van een meisje, ten huwelijk vragen; - aanhouden doet verkrijgen, de aanhouder wint; voortduren: het houdt lang aan, het duurt lang; - 't zal hard aanhouden, het zal niet licht geschieden.