Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Titel

betekenis & definitie

I. (<Lat.), m. (-s),

1. opschrift van een boek of gedeelte daarvan, van een plaat enz.: de titel van een boek, een opstel, een film; onder de titel van;
courante titel, opschrift dat boven iedere bladzijde herhaald wordt;
Franse titel, het verkorte titelblad waarmee een gedrukt boek aanvangt en dat de volledige hoofdtitel voorafgaat;
2. blad of bladzijde waarop de titel (1.) van een geschrift enz. vermeld staat;
3. onderafdeling van elk der boeken waarin een wetboek is verdeeld, onderdeel van een wet of besluit: hij sloeg het wetboek open en had de eerste titel van het tweede boek voor zich;
4. qualificatie: wij waren heren en moesten er op voorbereid wezen, benevens ons logies, de titel van heren te betalen;
— (sport) qualificatie als kampioen: zijn titel verdedigen; de jonge zwemster nam twee titels voor haar rekening die op naam van de vroegere kampioene stonden;
— (R.-K.) ben. van een kerk of altaar, b.v. de kerk van ChristusKoning, het altaar van Maria;
— onder de titel van, onder de benaming van: een klein vaartuig, dat zij met riemen en een gerafeld stuk doek, onder de geüsurpeerde titel van zeil, aan een stok gebonden, in beweging brengen;
ten titel van (Fr. à titre de), bij wijze van: (Zuidn.) huizen die ten titel van proef werden gebouwd; (Noordn.) alleen in de in dagvaardingen gebezigde formule ten titel van dwangsom;
— (rechtst.) eigendomsverkrijging onder algemene, onder bijzondere titel, al naar men een complex van rechten en verplichtingen verwerft, zoals bij erfopvolging en boedelmenging, dan wel slechts een of meer bepaalde zaken of rechten, zoals b.v. bij levering;
5. ben. (meestal van overheidswege toegekend) waaronder een persoon zijn functie vervult of zijn beroep uitoefent, en waarmee in de regel tevens een waardigheid, rang of maatschappelijke positie wordt aangeduid: de titel van baron, van hoogleraar; welke, titel heeft hij?; een titel geven, schenken, verlenen; een titel aannemen; een titel halen, verwerven; een titel dragen, voeren; een adellijke, weidse, hoge, eervolle titel;
6. akte, bewijsstuk waarin een recht is vastgelegd: de titels der schuldvordering; de titel van eigendom van een huis; de titel van aankomst, stuk dat bewijst hoe men aan enig goed is gekomen;
— (R.-K.) bij de toediening van wijdingen: verklaring waaruit blijkt dat in het levensonderhoud van de wijdeling voldoende voorzien is;
7. rechtsgrond voor eigendomsovergang: met betrekking tot roerende goederen die noch in renten bestaan, noch in schulden welke niet aan toonder betaalbaar zijn, geldt het bezit als volkomen titel (art. 2014 L.W.);
8. rechtsgrond: vertegenwoordiging is de titel welke de Staten-Generaal tot medewetgevers bevoegd maakt;
— een overeenkomst onder bezwarende titel, een overeenkomst die elk der partijen in de verplichting brengt om iets te geven, te doen of niet te doen;
9. recht: een huis bewonen zonder enig recht of titel.

TITELTJE,

o. (-s).

II. zie TITTEL.