Wat is de betekenis van titel?

2019
2021-03-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

titel

titel - Zelfstandignaamwoord 1. opschrift van een boek of ander document De titel van dit boek is 'Scheikunde voor de leek'. 2. academische of adellijke aanduiding van een persoon Hem werd de titel van 'doctor' verleend. titel - Werk...

Lees verder
2018
2021-03-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

titel

titel - zelfstandig naamwoord uitspraak: ti-tel 1. vetgedrukte regel boven een tekst ♢ welke titel heeft deze tekst? 2. aanduiding die je voor of achter je naam mag zetten ♢ 'jonkheer' en 'ingen...

Lees verder
2010
2021-03-04
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

titel

titel: kampioenschap.

2009
2021-03-04
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

titel

(de; -s) SP - het recht om zich kam pioen te mogen noemen, syn. kampioenschap: hij verdedigde zijn titel met succes.

2000
2021-03-04
Basisboek Recht

Basisboek Recht

Titel

Reden, juridische grondslag voor de overdracht

1993
2021-03-04
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Titel

naam; opschrift; kwalificatie (als kampioen); rechtsgrond

1992
2021-03-04
Hoofdlijnen Nederlands Recht

Hoofdlijnen Nederlands Recht

titel

Rechtsverhouding die aan een (eigendoms)overdracht ten grondslag ligt.

1990
2021-03-04
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

titel

titel - Namen die worden gegeven aan op zichzelf staande werken, verzamelingen werken of reeksen werken, ongeacht het medium.

1981
2021-03-04
zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

titel

1. benaming of opschrift van een boek of een opstel; 2. aanduiding van iemands ambt, waardigheid of academische graad, b.v. luitenant-kolonel, monseigneur, drs. (doctorandus).

Lees verder
1973
2021-03-04
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

titel

[→Lat. titulus], m. (-s), 1. opschrift van een boek of gedeelte daarvan, van een plaat enz.; courante —, herhaald pagina-opschrift; 2. blad of bladzijde waarop de titel van een geschrift enz. vermeld staat; 3. onderafdeling van een wet of van een hoofdstuk in een wetboek; 4. kwalificatie; (sport) kwalificatie als kampioen; zijn —...

Lees verder
1950
2021-03-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Titel

I. (<Lat.), m. (-s), 1. opschrift van een boek of gedeelte daarvan, van een plaat enz.: de titel van een boek, een opstel, een film; onder de titel van; — courante titel, opschrift dat boven iedere bladzijde herhaald wordt; — Franse titel, het verkorte titelblad waarmee een gedrukt boek aanvangt en dat de...

Lees verder
1948
2021-03-04
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

titel

m. opschrirt, (ambts)benaming; aanspraak, rechtsgrond, recht om Iets te bezitten, te eisen enz.

1939
2021-03-04
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Titel

Etiket, waarnaar inhoud beoordeeld wordt.

1926
2021-03-04
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Titel

Van het Latijnsche titulus = op- of bovenschrift aan het hoofd van een boek, van een hoofdstuk enz, en dat daarvan de stof, den hoofdinhoud te kennen geeft; gewoonlijk: de eerste bladzijde van een boek, vermeldende hoe het boek heet, den naam van den schrijver, en dien van den uitgever. Voorts: benaming, ambts- of eerenaam (bv. doctorstitel). Ook (...

Lees verder
1916
2021-03-04
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Titel

Titel - 1) toevoeging aan iemands naam (baron, doctor, enz.), waarop men aanspraak heeft op grond van geboorte, stand, ambt of promotie. Zie voor de tegenstelling tusschen titel en praedicaat onder ADEL. 2) Opschrift van een boek of hoofdstuk. 3) Onderdeel van een wetboek. 4) Rechtsgrond, in het bijzonder ten aanzien van bezit. Zoo onderscheidt de...

Lees verder
1914
2021-03-04
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

titel

titel - m., naam; eernaam; opschrift; afdeeling van een wetboek.

1910
2021-03-04
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Titel

Titel - eerenaam, naam of opschrift van een boek, onderafdeeling van een wetboek ; rechtsgrond.

1898
2021-03-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Titel

Titel - m. (-s), opschrift, benaming op de eerste bladzijde van een boek; Fransche (eig. voorhandsche) titel, het verkorte titelblad waarmede een gedrukt boek aanvangt en dat den volledigen hoofdtitel voorafgaat: — opschrift der afdeelingen in een boek, inz. bij rechtsgeleerden; — (fig.) hetene onder zulk een titel gevonden wordt : rec...

Lees verder
1870
2021-03-04
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Titel

Titel is de naam van het ambt, de waardigheid of den rang van een persoon. Voorts beteekent titel het opschrift of de naam van een of ander boek, en in regtsgeleerden zin den wettelijken grond, waarop iemand eenig regt wordt toegekend, alsmede het opschrift van een of ander hoofdstuk in de wetboeken.