Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Lat

betekenis & definitie

v. (-ten),

1. lang, dun en smal stuk hout; de latten van een hekje, van jalouzieën; — in ’t bijz. die welke op de ribben van een dak worden gespijkerd (panlatten); — (zegsw.) hij hangt aan de latten, hij is op het punt van bankroet te gaan; — (Zuidn.) er zijn latten aan het huis, aan de balk, er zijn hier mensen die het niet mogen horen; — (fig.) van de lat krijgen, er van langs krijgen; — op de lat (d.i. kerfstok) halen, op afbetaling; — (Barg.) de lat los hebben, krediet hebben; — (scheepsb.) lang, dun en smal stuk hout of ijzer: ijzeren latten tussen de bramzalings.
2. (Barg., volkst.) sabel: de lat er op leggen.
3. scherts, ben. voor een lang dun mens.
4. Deventer latten, lange smalle en dunne Deventer koek.
5. ben. voor taaie twijgen van wilgen, populieren enz., gebruikt voor rijswerken of voor hoepels.