Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Opsluiten

betekenis & definitie

(sloot op, heeft opgesloten),

1. achter slot en grendel brengen: iem. in een kamer opsluiten; — hij is opgesloten, in de gevangenis ; — in iets opgesloten liggen, er in geborgen, besloten, vervat zijn; volgen uit hetgeen gezegd is ; — zich opsluiten, de plaats waar men zich bevindt van binnen afsluiten: toen heeft hij zich in zijn eigen kamer opgesloten ; — (fig.) zich afzonderen ; opgaan in: zich in een koppig stilzwijgen , in zachte melancholie opsluiten ;
2. (bouwk.) (van delen die reeds door enig verband aan elkaar bevestigd zijn) met een pen, een wig enz. voor goed bevestigen: trappen met opgesloten treden; — (drukk.) een vorm opsluiten, in het raam brengen, inslaan ; — (metaalg.) een vorm opsluiten, de gietkuil met aarde volstampen; — ergens tussen zetten zodat uitwijking voorkomen wordt: de bestrating wordt tussen kantstenen opgesloten ;
3. (onoverg.) (mil.) van gelederen: weer aaneensluiten: het achterste gelid sluit op, ieder dekt zich op zijn voorman ;
4. (w. g.) opensluiten, ontsluiten : hij sloot de hemel op en toe (De Génestet).