Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

SLOT

betekenis & definitie

o. (-en).

A) de handeling van sluiten, de toestand dat iets gesloten is;
1. aaneensluiting, hechte samenhang : slot geven, dicht maken ; — een klein kind moet slot aan het lijf hebben, stevig gekleed zijn ; — slot noch val zit er in die jurk, die jurk past niet en hangt heel lelijk ; — (gemeenz.) geen slot in of aan ’t lijf hebben, de aandrang tot stoelgang niet kunnen beheersen; buikloop hebben ; — (Zuidn.) geen slot in zijn buik hebben, dadelijk na het drinken moeten wateren ;
2. samenhang van een redenering en vand. zin, klem ; thans alleen nog in : het heeft slot noch zin, er is niet uit wijs te worden, geen touw aan vast te knopen ;
3. het sluiten van een rekening, een begroting, een balans ; vervolgens: de uitkomst, het eindcijfer: het slot der rekening wordt door de wet vastgesteld ; — het bedrag dat op grond van deze uitkomst overblijft of tekort is ; saldo : batig slot, bedrag waarmee de ontvangsten de uitgaven overtreffen ; — nadelig slot, bedrag waarmee de uitgaven de ontvangsten overtreffen ; ook van credit- en debetzijde van een rekening ; — per slot van rekening (flg.), alles bij elkaar genomen ; ook alleen per slot;
4. het laatste gedeelte van een handeling, een gebeurtenis enz. : het slot van de maaltijd ; aan het slot van zijn brief schreef hij ... ; je kunt bij hem nooit aan een slot komen :ten slotte, tot besluit, eindelijk;
5. toestand, stemming van de beurs tegen de sluiting : het vaste slot van de Londense beurs ;
6. (muz.) sluiting ; de wending der harmonieën waarin een muzikale zin tot conclusie komt.
B) Toestel, inrichting of deel waarmee iets gesloten of afgesloten -wordt of waardoor of waarmee twee zaken aaneensluiten ;
7. toestel met een uitschietend deel (schieter, schoot) dat dringt in een daartoe aangebrachte opening (door middel van een veer) tot sluiting van deinen enz. en dat met een sleutel in werking gebracht wordt: een Frans, Duits, Engels slot; een links, rechts slot, waarbij men de sleutel naar links, rechts moet draaien, om de schieter uit te brengen ; het slot is verdraaid ; een slot opensteken ; doe de deur, de kast op slot, sluit ze; de deur is van slot, niet gesloten ; iem. achter slot zetten, hem gevangen zetten ; iets achter slot houden, zorgen dat een ander er niet bij kan, het wegsluiten ; — je kunt hem geen slot voor (of op) de mond doen, niet dwingen tot zwijgen;
8. knip die een kerkboek enz. sluit: slot aan een brieventas, album ; een kerkboek met gouden sloten ;aan deze doos is geen slot;
9. sluiting van een halsketting of een armband, bestaande uit een knop waarin een met een veer voorziene stift knipt; boot;
10. deel van een orgel om de pijpen te sluiten ;
11. ring waarin trekstangen van een kapconstructie samenkomen en met moeren worden vastgezet;
12. enige tanden, groefjes en onregelmatige uitsteeksels onder en aan weerszijden van de top van een schelp : de functie van het slot is het voorkomen van verschuiving der kleppen ten opzichte van elkaar;
13. de op enigerlei wijze uit- en inspringende delen waardoor de aaneensluiting van twee gietvormen wordt verzekerd;
14. (Zuidn.) (molenb.) benaming van de stukken hout die tussen ezel en pasbrug worden gestoken, of dienen om een pasblok te doen verschuiven ;
15. (Zuidn.) hart van een pomp ;
16. (Zuidn.) aars van een rund;
16. inrichting waarmee een kruisboog (door het omdraaien van een sleutel) wordt gespannen;
17. inrichting aan een handvuurwapen die de ontsteking veroorzaakt: het slot van een geweer;
C) iets dat gesloten is;
18. de voor kloosterlingen voorbehouden ruimte, waarbinnen zij hun kloosterlijk leven leiden en waarbinnen anderen niet worden toegelaten;
19. versterkt kasteel, burcht.