Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Mooi

betekenis & definitie

I. bn bw. (-er, -st), in de Noordnl. spreekt. het gewone woord voor schoon;

1. keurig in zijn voorkomen, met veel zorg opgeschikt: wat ben je mooi vandaag; wie mooi wil zijn moet pijn lijden (zei de meid, en zijn speldde haar muts aan haar oren vast); een hoedje waarmee men enig weken mooi is; — zich mooi maken, zijn opschik in orde brengen; — (iron.) hij heeft zijn arm gebroken, daar is hij zes weken mooi mee, daar zit hij lelijk mee;
2. van nature welgemaakt, bevallig: een mooi meisje; een mooi, jong gezicht; een mooi Engels rijpaard;
3. behagend door rijkdom en schittering: een meisje met mooie kleren; mooi goed, mooie dingen; ik wou om een mooi ding, dat ik je niet gezien had! —de mooie kamer, de pronkkamer;
4. behaaglijk, sierlijk: mooie bloemen; — hoe mooi staat haar die krans! — mooi maken, versieren, opschikken; — (van wat te koop wordt aangeboden) mooie kersen; mooie aardbeien;
5. wat ons aesthetisch gevoel aangenaam aandoet: een mooi gedicht; een mooi boek; hij kan heel mooi vertellen;
6. waardoor iem. blijk geeft van uitnemendheid: een mooi examen; mooie cijfers halen; een mooi schot; dat staat je niet mooi;
7. aangenaam, gunstig (van het weer): mooi weer; een echt mooie herfstdag; — (fig.) mooi weer spelen, uiterst vriendelijk en voorkomend jegens iem. zijn; (ook) op grote voet leven; mooi weer spelen van eens anders geld, daarvan de grote heer uithangen;
8. voordelig, gedienstig, gunstig: dat is alles wel en mooi, maar…; — mooi … hebben, eig. een gunstige gelegenheid hebben tot iets, iets gemakkelijk kunnen doen, in tegenstelling met iem. anders die niet in hetzelfde geval is; je hebt mooi lachen, maar ik ben ondertussen in een gek geval;mooie praatjes, beloften, die alleen dienen om te paaien; — een mooie dag, een “goede” dag een zekere dag;
9. flink, groot in zijn soort: een mooi stuivertje; een mooi salaris;
10. grappig, vermakelijk: dat zou een mooie klucht zijn; het mooiste van de hele zaak is, dat hij er zelfs niet van weet;
11. (iron.) lelijk: een mooie manier is dat! wel nu nog mooier!

II. bw.

1. op een aardige, goede, voordelige of gunstige wijze: hij is mooi gepromoveerd; mooi zo! dat heb je goed gedaan (enz.); ook iron.;
2. bw van graad, vrijwat, aardig, nogal: hij was mooi op weg om een dronkaard te worden;

III. als zn. o., wat mooi is: haar kinderlijk mooi; gij kijkt er al het mooi af. [niet alg. als verkleinw.: dat is een mooitje, een mooi exemplaar.]