Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Schoon

betekenis & definitie

I. (mooi,netjes)bn. bw. (schoner, -st),

1. wat het gezicht door vorm, kleur, verhouding enz. aangenaam aandoet, wat bewondering wekt; in het algemeen, wat behaaglijk is voor oog of oor (met betr. tot de andere zinnen is het niet in gebruik), wat ons aesthetisch gevoel aangenaam aandoet, fraai, mooi; in N.-Nederl. niet in de spreekt., behalve in ironische zin; van mooi wordt het wel onderscheiden als een hogere, zuiver aesthetische kwaliteit: een schoon vergezicht; schone oorden, landstreken: schone gebouwen; een schoon kind (meisje); een schone vogel; een schone vrouw met schone ogen. schoon haar; een schone gestalte; schone vormen; hij houdt van al wat schoon is; (zelfst.) iets schoons; het schone; de leer van het schone, de aesthetica; — het schone geslacht, de vrouwen; — met betr. tot het gehoor: een schone stem; schone muziek: schoon klinken; — van onstoffelijke zaken: een schoon gedicht; schone verzen; in schone stijl; — de schone kunsten, die mooie dingen voortbrengt (tgov. de technische kunsten);
2. een aangename indruk makend door het voorkomen in verband met hoge kwaliteit of bruikbaarheid: schoon ooft: schone paarden; een schoon ras; (bw.) het koren staat schoon, men mag een goede oogst verwachten; — (Zuidn., van personen) flink, knap, kloek: ’t is schoon volk; — voortreffelijk; — (Zuidn.) het schoon manneken spelen, zich met vleiende woorden verontschuldigen: — in N.-Nederl. alleen in het spr. hoe later op de dag, hoe schoner volk;
3. wat ons zedelijk gevoel treft, verheven, loffelijk: schone daden; de schoonste dood is die door zelfopoffering; schone gedachten; een schone ziel; geduld is zulk een schone zaak; — dat staat u niet schoon, dat past u niet, is in u te laken; — (iron.) dat is wat schoons, dat is ver van aangenaam of loffelijk; dat zal er schoon uitzien; een schone manier van doen;
4. wat op de gehele mens een aangename indruk maakt: schoon weer; een schone zomerdag; in het schone jaargetijde;
5. gelegen komend; thans alleen nog in verzwakte bet. in de verb. op een schone dag;
6. gunstig, gunstige verwachtingen veroorlovend: dat was een schone kans, gelegenheid; de kans schoon zien;
7. een gunstige voorstelling gevend; schone woorden, die goed klinken, doch waarop men geen staat kan maken; — (Zuidn.) gij hebt schoon spreken, je hebt mooi praten; — (Zuidn.) schoon spreken, vleien, nederig en beleefd iets trachten te verkrijgen; schoon klappen, mooi praten;
8. in iron. toepassing om uit te drukken dat de in het zn. genoemde kwaliteit niet aanwezig is: hij noemde zich leider; een schone leider, voorwaar!;
9. aanzienlijk, de moeite waard, niet te versmaden: een schone som geld; dat is een schoon fortuin; negentig jaar, dat is een schone ouderdom;
10. vrij van belemmeringen: de baan is schoon: (zeew.) een schone grond, vrij van klippen, banken enz.; (Zuidn.) het gat schoon hebben, vrij spel, een goede gelegenheid hebben; — vrij van onkosten, onbezwaard: na verrekening hield ik driehonderd gulden schoon geld over; (bilj.) op schoon, zonder verliespunt;
11. rein, vrij van vuil, hetzij in de zin van gereinigd, of van onbesmet: schoon goed aantrekken; schone kousen klaarleggen; de borden, vorken en lepels schoon wegzetten; een schoon gezicht en schone handen hebben; zich goed schoon wassen; zijn kleren schoon afborstelen: — schoon schip maken, zie Schip;
12. nog niet gebruikt: neem een schoon bord, glas; — schoon papier, onbeschreven, onbetekend; — een schone lei, onbeschreven; zie voorts Lei;
13. vrij van onzuiverheid, van iets dat er niet in, bij of aan behoort: schoon water, zuiver, helder, zoet water; — (van slachtdieren) van de ingewanden enz. ontdaan; schoon aan de haak (zie Haak); — (van landerijen) vrij van onkruid; — (van drukproeven) gezuiverd van zetfouten;
14. schoon metselwerk, zuiver in verband gewerkt en gevoegd, zoals gebruikelijk bij werk dat in het gezicht komt;
15. (bw.) zo dat er niets meer overblijft, geheel en al: alles is schoon opgegeten; ik heb mijn geld schoon uitgegeven;

II. zn. o., wat schoon aan iets is, datgene wat een persoon of zaak schoon doet zijn, schoonheid: het schoon der natuur; eigen schoon; het dichterlijk schoon; vgl. lichaamsschoon, natuurschoon.