Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Kudde

betekenis & definitie

v. (-n),

1. troep bijeenbehorende, inz. samen gehoed wordende (huis)dieren: een kudde schapen, runderen, zwijnen ; de herder met zijn kudde ;
2. een aantal mensen die onder dezelfde leiding of hoede staan; bepaaldelijk de onder Gods hoede staande gelovigen, zijn Kerk : de Here zal zijn kudde weiden gelijk een herder (Jes. 40 : 11 ; zie ook Luc. 12 : 32); — ook: een kerkelijke gemeente met betr. tot haar geestelijke leider, haar zieleherder;
3. (in ’t alg.) troep, schaar, zwerm levende wezens, ook van mensen; — (minacht.) de kudde, de massa zonder eigen oordeel.

< >