Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Grond

betekenis & definitie

m. (-en),

I. de bodem waarop wij leven, de oppervlakte der aarde: de grond dreunt; takken, die neerhingen tot de grond; de grond was met bloemen bedekt; -

laag bij de grond blijven, zich laag bij de gr(md houden, (fig.) geen buitensporige dingen doen, (ook) geen hoogvlieger zijn; laag bij de grond (van uitingen), plat, niet verheven; — de begane grond, de natuurlijke oppervlakte van het terrein, het maaiveld; — iets met de grond gelijkmaken, het slechten, slopen; — een gebouw voor (of tegen) de grond gooien, het af breken, slopen; de kerk brandde tot de grond, toe af, geheel;

2. het vlak waarop men gaat of staat, hetzij de aardoppervlakte of de vloer van een gebouw, een vertrek enz.: de grond waarop de kerk staat is wat hoger dan het omringende land.; hij viel met een bons op de grond; het kind zit op de grond te spelen; iets op, tegen de grond gooien ; — (Zuidn.) ten gronde, op de grond ; — hij stond als aan de grond genageld., onbeweeglijk door ontzetting of verbazing: — hij meende door de grond te zinken, voelde de grond onder zich wegzinken, had (van ontzetting, schaamte enz.) het gevoel van niet meer vast op de grond te staan ;
3.(schild.) benaming van de verschillende, telkens schijnbaar verder weg gelegen onderdelen van het grondvlak van een schilderij of tekening, die gezamenlijk het wijken van het verschiet (de diepte) teweegbrengen, plan: een landschapje met vijf diepten of gronden ;
4.een begrensd gedeelte van het aardoppervlak (een veld, akker, terrein enz.), land : grond kopen, verkopen, verhuren; afstand van grond; ingepolderde, verdronken, woeste gronden; een stuk gronds ; een mooie lap grond, een flink of vruchtbaar stuk land; geen duimbreed gronds willen af staan; — wij bevinden ons op Stichtse grond, op het grondgebied van liet Sticht; — de vaderlandse grond, het vaderland als uitgestrektheid; — neutrale grond, onzijdig gebied; — stuk land dat iemand in eigendom of in gebruik heeft, erf: vruchten, aardappelen van eigen grond; niemand mag zonder toestemming vee drijven over andermans grond: — liggende gronden, vaste goederen, goederen die bestaan in landeigendom; — grond verliezen, (fig.) terrein verliezen, de kans op slagen zien verminderen, zijn positie niet kunnen handhaven ;
5.de aardschors, inz. de opperste, vruchtbare laag daarvan : in de grond graven ; een slappe, een harde grond ; de grond ontginnen, openen, de bodem ontginnen ; het gezaaide komt uit de grond, komt op ; — zij verrijzen als paddenstoelen uit de grond, (fig.) komen overal in groot aantal te voorschijn ; — de aardappels zijn al uit de grond, zijn reeds gerooid : — hij is reeds tien jaar onder de grom, dood en begraven : — (gemeenz.) iemand onder de grond stoppen, hem begraven ; — vaste grond stevige, betrouwbare bodem; in ’t bijz. het land, de aarde, in tegenst. met het beweeglijk vlak dat de bodem van een schip oplevert: hij is blij dat hij eindelijk weer vaste grond onder de voeten heeft, (van een zeevarende) dat bij aan land is ; ook fig. : — de koude grond., de onbeschutte moes- of tuingrond (in tegenst. met kunstmatig verwarmd terrein, als broeiramen of kassen): aardbeien van de koude grond; vand. fig.: 't is een Latinist van de koude grond, die niet veel betekent; — gewijde grond, aarde die gewijd is, liet kerkhof voor hen die als goede katholieken gestorven zijn: hij rust in gewijde grond,
6. (geol.) terrein bestaande uit of laag van een bepaalde soort grond: primaire, secundaire, alluviale gronden; vgl. rotsgrond, zandgrond;
7. de (korrelige of weke) stof waaruit de aardschors bestaat, aarde: grond begraven; grond kruien; schrale, vette, vruchtbare grond; — (zegsw.) rood haar en elzenhout wordt op geen goede grond gebouwd, iem. met rood haar kan niet deugen ; grond voor één (voor twee enz.) man, aldus onderscheiden naar de mate van het gemak waarmede de grond zich laat vergraven: de soort van grond waarvan één man per dag 15 m2 kan ontgraven, noemt men grond voor één man;
8.het vlak waarop een gebouw staat, datgene waarop het steunt, de fundamenten: en de diepe kolken der wateren werden gezien en de gronden der wereld werden ontdekt (Ps. 18:16); de. grond van een huis leggen;een grond slaan, een fundering van palen inslaan : de grond is (on)bestorven, als liet metselwerk er van (nog niet) gedroogd en hard geworden is;
9. (oneig.) dat waarop iets steunt of gevestigd is in oneig. zin, grondslag : het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt; aan iets ten grond liggen; — de gronden tan een rechterlijke uitspraak, de motieven waarop de uitspraak steunt; — dat steunt op losse gronden, gaat niet van een degelijk beginsel uit; — die zaak heeft een grond van waarheid, een beginsel van waarheid, er ligt iets waars aan ten grondslag : — iets op goede gronden beweren, met degelijke bewijsmiddelen ; — gronden voor iets aanvoeren, argumenten bij brengen; — er bestaat grond om te menen dat...., rechtmatige aanleiding ; uw verdenking is van alle grond ontbloot, is ongegrond, daarvoor is geen aanleiding; — niet zonder grond was hij ontevreden, met reden ; — op grond van, om reden van, wegens: op grond van de ongenoegzaamheid der stukken en verklaringen kan de ambtenaar weigeren een huwelijk te voltrekken; — afgunst is de grond van veel verdriet, de oorzaak; — ik weet niet uit welke grond hij zo handelt, uit welke beweegreden ; — zijn vader onderwees hem de gronden der scheikunde, de eerste beginselen;
10.dat wat onder of achter iets anders is: de grond van een schilderij leggen, een schilderij aanleggen, doodverven, de eerste verf leggen; — vand.: het vlak van zekere kleur, waarop figuren van een andere kleur of tint zijn aangebracht: heldere kleuren komen het meest uit op een donkere grond; — (bij vergulders) de kleefstof die op de zaak, welke verguld zal worden, wordt aangebracht; — (bij etsers) vernis op de platen die men etsen wil; — stof of stuk waarop iets met de naald gewerkt is: goudborduursel op een satijnen grond; — (in weefsels) bij fluweelachtige stoffen, tapijten enz.: het weefsel waar de overeindstaande draadjes (de pool) in worden aangebracht, ingeklemd of -geknoopt; bij piqué : het weefsel dat de rechte kant vormt; bij weefsels met een patroon: het effen weefsel in tegenst. met de daarin geweven figuren; — de oorspronkelijke kleur van iets, inz. de oorspronkelijke witte kleur van wasgoed : het goed was zo vuil, dat er geen grond in te krijgen was, dat liet niet meer schoon te wassen was; — (wev.) het patroon, het plan, waarnaar de wever werkt;
11.het onderste, het ondervlak van iets dat diep of hol is, de bodem: die huil is zo diep, dat men met geen stok de grond kan raken ; — (w. g.) een glas tot op de grond ledigen, geheel en al ledigen, schoon uitdrinken; — (spr.) op de grond van het vat vindt men de hei, de kwade gevolgen komen achteraan;
12. de bodem onder het water, de bedding van een rivier, een meer, de zee enz. : een in het water geworpen steen zinkt naar de grond; het peillood laten zakken tot men grond, voelt; — het schip is aan de grond, geraakt, is in te ondiep vaarwater vast komen te zitten ; — aan de grond zitten (van een schip), op een ondiepe plaats onbeweeglijk vast zitten, (fig. van een persoon) in benarde omstandigheden verkeren, niet vooruit kunnen, inz. geen geld meer hebben; het schip raakt grond, raakt met de kiel de bodem van het water; — aan de grond zuigen (van een schip), door de nabijheid van de grond vertraging in de vaart ondervinden: platte stoomschepen, die weinig diep gaan, zuigen soms zo hard aan de gromt dat ze in het geheel niet sturen willen; — grond peilen, met peillood of stok de diepte van het vaarwater onderzoeken : — grond krijgen, hebben, met het dieplood de bodem bereiken, bereikt hebben (op een ondiepe plaats); — grondvoelen (van zwemmende of varende personen), de bodem van het water onder de voet, onder het vaartuig voelen; (fig.) genoeg gegeten en gedronken hebben, voelen dat men verzadigd is, (ook) bespeuren dat men zich niet verder moet wagen : — een schip in de grond boren, het doen zinken, t.w. oorspr. door er gaten in te boren, vervolgens door schieten, door het aan te varen enz. ; — (fig.) iemand, (of iets) in de grond boren (of helpen), ruïneren, ten val, ten ondergang brengen; — iemand (of iets) te gronde richten, bederven, ruïneren; — te gronde gaan, zinken: het lichte kurkje staat boven, maar het gelode net gaat te gronde; (inz.) (van drenkelingen en schepen) verdrinken, vergaan; (fig.) ondergaan, in het verderf storten, te niet gaan: door zijn speculeren zal hij nog te gronde gaan; de eens zo bloeiende stad ging te gronde ;

zich in de grond werken, zich ruïneren gaan;

13.de bodem of een gedeelte van de bodem van de zee of van andere wateren met betr. tot de gesteldheid of de hoedanigheid: schone grond, zonder klippen, riffen, ondiepten, wrakken enz.; vuile grond, het tegenovergestelde daarvan : vuile gronden bederven de kabels, (fig.) kwaad verkeer bederft de zeden; harde, zachte grond;

diepe groiul, die diep gelegen is; (spr.) stille waters hebben diepe gronden, in lieden, die zich weinig uitlaten, zit vaak meer (verstand, ondeugd, valsheid, arglistigheid enz.) dan men naar de uiterlijke schijn vermoeden zou; — de Gronden, het ondiepe gedeelte van de Atlantische Oceaan bewesten het Kanaal; — die wist of hij een vaste grond had, eer hij het anker liet vallen, die was de slechtste schipper niet, secuur te werk gaan is nog het slechtste niet; — grond houden, (van een anker) vatten, pakken, niet doordreggen; (fig.) die bewering houdt geen grond, mist alle vastigheid, houdt geen steek; — grond breken, het anker lichten, onder zeil gaan; — goede ankergrond is de beste grond, men moet zijn hoop en verwachting stellen op hetgeen vast is; — (w. g.) het is noch grond noch staal, noch vlees noch vis, men weet niet wat men aan hem heeft;

14.het diepste, onderste gedeelte van iets, meest oneig., van onstoff. zaken: de grond der dingen verstaan, het wezenlijke, de kern; — dat komt uit de grond zijns harten, uit het diepste van zijn gemoed, is oprecht gemeend ; — (veroud.) inborst, karakter : die wil kennen des mans grond, die slazijn vrouw of zijnen hond; in de grond, in het innerlijke wezen der zaak : in de grond ben ik het met hem eens, eigenlijk, eerlijk gezegd; —in de grond heeft hij gelijk, in wezen; — iets in de grond verstaan, het door en door, volkomen machtig zijn; — een zaak in de gromt onderzoeken, grondig; — iem. in de grond bederven, geheel en al: — in de grond is hij goedhartig, in zijn eigenlijke aard.