Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Dik

betekenis & definitie

I. bn. en bw. (-ker, -st),

1. waarvan de kleinste der drie gewone afmetingen betrekkelijk groot is: een dikke plank, een dik boek ; een dikke muur, deken ; dik glas ; een dikke laag; dik ijs ; een dikke jas ; — (fig.) een dikke huid hebben, ongevoelig voor verwijten enz.; — bw.: dik gekleed, in dikke of met veel kleren ; — de sneeuw lag een voet dik, in een laag van een voet; — ’t vriest een steen dik, zeer hard ; — dik onder 't stof zitten, onder een dikke laag stof; — het er dik op leggen, overdrijven om een effect te verhogen; — dat ligt er dik bovenop (van bedoelingen), dat kun je goed merken, dat is tastbaar ;
2. (van staafvormige lichamen) een betrekkelijk grote doorsnede hebbend: een dikke stok; een dikke balk ; dikke armen, kuiten ; de dikke darm, karteldarm en endeldarm ;

ook als slechts aan twee dimensies gedacht wordt: dikke lijnen en strepen, brede; — met een bep. van maat (ook bij kleine afmetingen): een boom van drie voet dik ; dit twijgje is nog geen halve centimeter dik ;

3. van grote omvang; in ’t algemeen: dikke tranen, zweetdroppels ; bol: dikke wangen ; een dikke kop ; opgezwollen: een dik gezicht, een dikke wang ; een dikke vinger ; — (gew.) dikke stenen, de hunnebedden ; (flg.) dikke woorden, grote, geleerde woorden ; — in ’t bijz. v. de gestalte: een dikke heer, een dik kind; een dikke beer (van kinderen gezegd); een dikke tante-, zwaarlijvige vrouw; — (gew.) een dikke boer (üg.) een rijke boer ; — (plat) een dikke buik krijgen, dik worden, zwanger zijn ; — (plat) zich dik eten, zat; — fig.) zich dik maken over iets, er boos over worden, zich opwinden ; — maak je niet dik, want dun is de mode, gezegd tegen iem. die zich opwindt; — gezwollen : dikke ogen hebben, van het huilen ;
4. van grote dichtheid, zwaar: een dikke mist, nevel; —dik weer, (zeew.) weer dat het uitzicht moeilijk maakt; —dicht opeengepakt: dikke rook ; dikke duisternis; een dikke vacht; dikke regenwolken; — 't wordt dik, de lucht betrekt; — de lucht is dik, met zware wolken bedekt; bw. dik gezaaid, dicht in elkaar gezaaid, (fig.) veel voorkomend ; (Zuidn.) er dik lopen enz., veel voorkomen; —
5. (van vloeistoffen) niet zeer vloeibaar: de inkt wordt dik; een dikke brij ; zijn bloed is te dik, daardoor is hij zo traag ; dikke melk, (ook) geronnen melk ;
6. ruim, volop : ’t vee vindt hier dik gras ; een dikke honderd gulden ; wij krijgen dik saus, volop regen ; — een dikke twintig jaar geleden, ruim twintig jaar ; — (gew.) een dikke koorts, hevige ; — dikke vrienden zijn, door innige vriendschap verbonden (steeds enigszins schertsend);
7. bw. (fig.): dik in iets zitten, er overvloed van hebben ; absol.: er dik in zitten, veel geld hebben ; — dubbel en dik, zeer veel, in ruime mate : iem. dubbel en dik betalen; *t is dik in orde;
8. (gew.) dikwijls, vaak.

II. zn. o., g. mv.,

1. bezinksel in een aftreksel: dik van koffie, van chocolade; — 't dik heeft geld gekost, scherts, uitdr. tot iemand die te veel koffiedik enz. in zijn kopje krijgt; — (oliem.) prut, dik van lijn- en raapolie;
2. wat dik (dikvloeibaar of vast) is: door dik en dun gaan, (eig.) door modder en plassen gaan, (fig.) op zijn doel afgaan, zonder op hindernissen te letten, of iets te ontzien ; — met de minister door dik en dun meegaan, hem volgen, steunen, hoever hij ook gaat;
3. plaats waar iets dik is: het dik van ’t been, de kuit.

III. jongensnaam.

< >