Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Drie

betekenis & definitie

I. telw.,

1. hoofdtelw., twee plus één: drie bladzijden; ik heb drie uur gelopen; — hij kon geen drie tellen, wist van verlegenheid niets te doen; (ook) hij was buitengewoon dom; — een-twee-drie als bijw. uitdr., op slag, terstond: ik kan dat maar zo niet een-twee-drie klaar hebben; — (gew.) meer dan drie jaar oud zijn, niet dom zijn, weten wat men doen of laten moet; — als waarderingscijfer: hij heeft drie voor Frans (gewoner is een drie (II.)); — drie aan drie, bij of met drie tegelijk; — drie-in-de-pan, kleine pannekoekjes, drie tegelijk in de pan gebakken; — drie dik, in drie lagen; — drie hoog, op de derde verdieping; — (kaartsp.) ik roem er drie, d.i. drie kaarten, staat gelijk met ik roem een derde, d.i. drie opeenvolgende kaarten van dezelfde kleur;
2. met de waarde van een rangtelw. in: hoofdstuk drie; hij is van het jaar drie; drie April; [men zegge niet Willem Drie, maar de Derde]; — op schepen gemeenz. aanspreekvorm voor de derde stuurman;
3. in de verbogen vorm DRIEËN (het telw. drie beschouwd als een zelfstandig gebruikt bn. in het meerv.):
1. drie personen: ze werden bij drieën binnengelaten, drie aan drie; een gezelschap van drieën; deel dit onder u drieën; zij waren met hun drieën; — (spr.) alle goede dingen bestaan in drieën, met één ding of één keer is men gewoonlijk niet tevreden; driemaal is scheepsrecht; iets in drieën breken, in drie delen; — hij deed het in drieën, in drie achtereenvolgende malen; ik geef (zet) het u in drieën, ik geef het u te doen, d.i. ik geloof niet, dat gij het doen kunt; — (rekenk.) regel van drieën, bewerking tot het vinden van een getal door het als vierde term ener evenredigheid te beschouwen;
2. drie uur (na een vz.): het is over, voor, na, bij, tegen drieën;

II. zn. v. (drieën),

1. cijferteken voor de hoeveelheid drie: een Arabische drie (3) en een Romeinse drie (III); — als waarderingscijfer: hij heeft twee drieën op zijn rapport;
2. Schotse drie, dans (in de driepas);
3. zijde van een dobbelsteen welke drie ogen heeft; helft van een dominosteen met drie ogen; — kaart met drie figuren: harten drie, ruiten drie.