Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Bed

betekenis & definitie

o. (-den), Zuidn. ook bedde,

1. (nacht)leger voor mensen; een met veren, dons, kapok, zeegras, kaf enz. gevulde zak om op te slapen; inz. zulk een zak met zijn toebehoren van peluw, kussens, lakens, dekens enz. ; bij uitbr. : ledikant of bedstede met bed en toebehoren; — naar (te) bed gaan, gaan slapen ; vgl. dood-, veld-, ziekbed; — een bed stoppen, de beddezak met veren enz. vullen ; — het bed afhalen, het beddegoed uit ledikant of bedstede halen; ook (gew.) het van schone lakens en slopen voorzien; — het bed opmaken, het beddegoed naar behoren er in leggen; (w.g.) ik zal dat bed wel opmaken, dat wel klaren, in orde brengen ; — het bed houden, te bed liggen, bedlegerig zijn: — de zieke komt niet meer van (het) bed, ligt plat te bed, ligt voortdurend te bed; — (gew.) zijn vrouw is, ligt in ’t bed, in ’t kraambed, is niet lang geleden bevallen; (gemeenz.) dat meisje moet naar bed, moet binnenkort bevallen; — het bed ligt al voor u gespreid, gij zijt ons welkom (als gast); (oneig.) zijn bed(je) is gespreid, zijn toekomst is zeker, er is voor hem gezorgd ; — ’t is bij hen: zoetelief, kom bij mij te bed, ’t is koek en ei tussen hen; — wie de naam heeft van vroeg opstaan, mag vrij te bed blijven (mag lang slapen), men wordt meer beoordeeld naar zijn faam dan naar wat men werkelijk is; — laat uw bed het maar niet horen, in scherts gezegd tegen iem. die plannen maakt om zeer vroeg op te staan; — hij gaat er mee naar bed en staat er weer mee op, (van kommer en verdriet, plannen, berekeningen enz. gezegd), hij denkt er steeds aan, kan ze niet uit zijn gedachten zetten; — men moet zich niet uitkleden voor men naar bed. gaat, vóór zijn dood moet men zijn bezittingen niet verdelen en weggeven; — van het bed op het stro geraken, achteruit raken, aan lagerwal komen ; — (oneig.) sterven op het bed van eer, op het slagveld sneuvelen; —

(meton.) plaats in een ziekenhuis of derg. inrichting: in dat ziekenhuis zijn 400 bedden; in dat gesticht vraagt men f 1500 per bed, als verpleegkosten per patiënt; — een vrij bed in een inrichting, een kosteloze plaats;

2. in ’t bijz. huwelijksbed, en vand. huwelijk: iemands bed schenden, met zijn vrouw overspel bedrijven; — kinderen van het eerste bed, uit het eerste huwelijk ; hij is van het echte bed, een wettig kind; — zij gaat nog met haar spot naar bed, zij zal nog trouwen met wie zij nu voor lummel houdt; — (recht.) scheiding van tafel en bed, bij rechterlijk vonnis uitgesproken voorlopige scheiding, waardoor de echtgenoten van de verplichting tot samenwoning ontheven zijn, maar het huwelijk niet ontbonden is; (overdr.) toestand van verkoeling, afkeer of verwijdering tussen twee gehuwden;
3. het leger van grof wild; — plaats waar korhoenders, patrijzen enz. in het zand hebben liggen gullen;
4. onderstel, leger voor verschillende machines, zie Bedding ;
5. grondslag of onderlaag van een weg: het bed maken ;
6. het bed of de bedding ener rivier, van een gletsjer, het begrensde deel van het (rivier)dal waarbinnen het water stroomt, het ijs voortschuift; vgl. Zomerbed, Winterbed; — zelling of zaat door een schip in de modder gemaakt; —
7. afgeperkte en verhoogde plaats in een tuin, waarop bloemen of gewassen gekweekt worden: een bed met bonen ; verg. tuin-, bloem-, aardbeienbed ;
8. laag van een bepaalde stof, inz. bodemlaag ; laag van koolzaadstruiken, die gedorst moeten worden; — hoeveelheid mortel die in een kalkloods tegelijk wordt aangemaakt;
9. (wev., van fluweel) de drie inslagdraden die tussen iedere twee op elkander volgende naaldvakken liggen.