Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Leger

betekenis & definitie

o. (-s),

1. vaste ligplaats van in ’t wild levende viervoetige dieren, inz. van hazen, konijnen en herten: een dier op (in) het leger vangen, schieten is niet eervol voor een jager;
2. ligplaats voor mensen, bed, legerstede: de zieke lag op zijn leger; iemands leger spreiden; ziekbed;
3. (veroud.) kamp, legerplaats: het leger opbreken;
4. krijgsmacht: een leger op de been brengen ; een leger in slagorde scharen;
— in ’t bijz. de verenigde strijdmacht die onder één bevelhebber op het terrein van de oorlog werkzaam moet optreden: het zevende Amerikaanse leger; een leger wordt verdeeld in legerkorpsen;
staand leger, dat ook in vredestijd wordt in dienst gehouden;
vliegend leger, dat er op ingericht is om zich snel te verplaatsen;
het Leger des Heils,. zie Heil;
5. (fig.) grote menigte : een leger van sprinkhanen;
6. de gehele krijgsmacht te land van een staat (tgov. vloot): bij het leger heersten vele misstanden;
7. (techn.) plaats waarop of waarin iets ligt; b.v. in de machinebouw: dat deel van een werktuig waarop het askussen is geplaatst waarin de as steunt en ronddraait;
8. (veend.) liggende, dubbele regel van turven, tegen welke de rechtstaande paren turven worden gezet.