Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 15-11-2018

China

betekenis & definitie

China - Republiek in het O. en Midden van Azië. Het eigenlijke C. beslaat het gedeelte, dat tusschen de Golf van Tonkin en de Gele Zee ingesloten is; met de provincies Kan-soe en Szetsjwan dringt het tot diep in MiddenAzië door. Tot de Chineesche Republiek belmoren daarenboven nog het Tarimbekken en Dzoengarije, die te samen de provincie Sintsjiang vormen, in naam ook Mandsjoerije en de bijlanden Tibet en Mongolië. !t Laatste heeft zich in 1912 echter onafhankelijk verklaard. Eigenlijk China is 3.787.000 K.M2. groot.

Het ligt ongeveer tusschen 95° en 122½° O.L. en tusschen 44° en 20° (met Hai-nan mee 18°) N.Br. Behalve in het Z., waar het aan de Sjanstaten grenst, is het aan de landzijde door zijn eigen bijlanden omgeven; in het O. en Z. wordt het bespoeld door randzeeën van den Grooten Oceaan, nl. de Oost-Chineesche Zee (met de diep in het land dringende Gele Zee en de Golf van Pe-tsjili), de Foe-kien-straat en de ZuidChineesche Zee (met de Golf van Ton-kin). Door de oostelijke voortzetting van den Kwenlun (Tsin-ling, enz.) is C. in twee, in vele opzichten zeer van elkander afwijkende helften, verdeeld. Zoo heeft N.-China strenge winters, eentonige, met dikke losslagen bedekte bergvormen, Noordelijken plantengroei en producten, slecht bevaarbare rivieren, zoodat het verkeer langs enkele door de natuur aangewezen wegen gaat. Zuid-China daarentegen heeft sterk geaccidenteerde gebergten, terwijl löss ontbreekt en een meer subtropisch klimaat met daarmee overeenkomenden plantengroei en landbouwproducten; in de Jangtse-kiang en Sikiang met hun zijrivieren uitstekende waterwegen. Ook de bevolking verschilt in vele opzichten en ook bestaan er vele politieke tegenstellingen tusschen Noord en Zuid.

PHYSISCHE GESTELDHEID.

I. Noor d-C h i n a. a. Het Noord-Chineesche bergland bestaat uit terrasvormige trappen met verhoogden rand, waarmee het Mongoolsche tafelland naar de Chineesche vlakte afdaalt. In ?t W. van Kansoe reiken nog de ± 3000 M. hooge uitloopers van de Kwenlun (de Nansjan); naar het O. sluiten daaraan in OostKansoe, Noord-Sjen-si en Sjan-si de b.g. plateau-trappen van 400—1900 M. hoogte aan. Hier zijn alle laagten met soms 600 M. dikke losslagen gevuld en vele hoogten er mede bedekt. Zoo wordt alles tot een landschap van zachtgevormde, weinig hooge ketens en breede, komvormige dalen. Het stroomende water heeft in het löss vaak diepe ravijnen uitgeslepen; de wegen gaan door nauwe kloven met loodrechte, soms terrasvormige wanden. De steile hellingen zijn kaal, bruingeel van kleur, de meer vlakke deelen zijn met bouwland bedekt of met gras, hoogstens met laag struikgewas begroeid. Meer gebergtekarakter heeft het Zuidelijk deel van Sjan-si; het bestaat uit horizontale, kolenrijke carbonische lagen, waarboven zandsteen ligt, een plateau met eenige ketens van 1600 a 1700 M. hoogte. Daar verheft zich ten O. van het Feun-ho-dal de 2440 M. hooge, scherp gevormde Ho-sjan.

Met een steilen, ± 1600 M. hoogen, boogvormigen wand, den zg. Tai-hang-sjan, daalt het gebergte van Sjan-si naar de Groote Chineesche vlakte af. Hetzelfde karakter heeft ook het gebergte ten N.W. van Peking. Dit is tafelland, waarvan de basis uit gneiss bestaat, waarover cambrische kalksteen en carbonische lagen liggen, soms door graniet en oud-vulkanische gesteenten doorbroken. De terrasranden vormen hier bergketens (Koeloe-sjan, Hoanghwa-sjan, Nan-kou-sjan, Heung-sjan), waar door nauwe dalkloven heen gaan, o.a. die van de Hoen-ho, terwijl de terrassen zelf breede lengtedalen vormen. De grootste hoogte (± 3500 M.) ligt in den Nan-kou-sjan. Al deze gebergten zijn kaal en boomloos; ook hier vult löss de dalvormen, zij het ook niet in die mate als in Kan-soe. — b. De Groote Chineesche vlakte, is grootendeels met door den Hoangho aangevoerd löss opgebouwd. Zij is 319.000 K.M.2 groot, sluit in het N. aan bij de smallere kustvlakte aan de golf van Pe-tsjili, in het Z. aan de Kleine-Chineesche vlakte.

In de buurt van de lage kust, waar op zich soms duinen verheffen, is zij een vuil gele, kale vlakte, maar verder op is zij kultuurland en heeft, vooral aan den bergvoet en in het Z., door de talrijke boomgroepen der kerkhoven en de vruchtboomen het karakter van een parklandschap. — c. Het Bergland van Sjan-toeng, is een oud eiland, dat door het slib van de Hoangho met het vasteland is verbonden; door een laagte is het in tweeën gedeeld. Het gebergte, dat uit graniet, gneiss, primaire gesteenten en oudere en jongere vulkanische gesteenten bestaat, heeft veelal woeste vormen; het Oostelijk gedeelte, het Lai-gebergte, verheft zich tot 800 M., het Westelijk, de Tai-sjan tot 1450 M. De kust is steil en rijk aan mooie bochten en havens. De hoofdrivier van Noord-China is de Hoangho, een der in Tibet ontspringende reuzenrivieren. Met een grooten boog stroomt hij eerst door Kan-soe, waar hij o. a. de Ta-toeng-ho opneemt, en dan door Mongolië. Hij gaat, door de löss-landschappen van Kan-soe, Sjen-si en Sjan-si ingesloten, tusschen steile wanden; in Sjan-si neemt hij de Feun-ho en de Hwei-ho op; hij neemt dan de West-oostelijke richting van de laatste rivier over om in een lang défilé door het randgebergte heen te breken en bij Hwai-king op 129 M. de Groote Chineesche vlakte te bereiken. In de vlakte heeft hij, ook in historischen tijd, dikwijls zijn loop veranderd; nu eens stroomde hij ten N. dan weer ten Z. van Sjan-toeng. Deze veranderingen gaan met geweldige overstroomingen gepaard; de Chineezen noemen hem „de ramp van China”. Bij Kai-feng trachten geweldige dijkwerken, in den laatsten tijd door Nederlandsche ingenieurs verbeterd, den stroom aan banden te leggen.

Behalve door den Hoang-ho wordt de Groote Makte nog door talrijke andere, minder belangrijke rivieren doorstroomd, de voornaamste zijn de Peiho, die de Hwei-ho opneemt in het N., en de Hwai-ho in het Z. In het lagere gedeelte liggen talrijke meren, waarvan het Hoeng-tseu- en het Kau-joe-meer de voornaamste zijn. N.- en Z.-China zijn van elkander gescheiden door de Oostelijke voortzetting van den Kwen-lun. Het Westelijk gedeelte ervan heet Tsin-ling: een massief ketengebergte, dat naar beide zijden steil afdaalt en dat uit oude kristallijne gesteenten bestaat; hoogste top 3700 M. De N.-helling is nog tot 1000 M. hoogte met löss bedekt, terwijl deze bodemsoort aan den Z.-kant nagenoeg geheel ontbreekt. Oostelijker neemt het gebergte den naam van Foenioe-sjan aan; een wild, ruw gebergte, met steile hellingen, diepe kloven. Het bestaat uit kristallijne leien en kalksteen, terwijl de hoogste, ± 2000 M. hooge toppen, uit graniet bestaan. Ten O. van een breuklijn gaat het gebergte met een boog Zuidwaarts; daar is het nog tot ± 2500 M. hoog, en eindigt in de buurt van Nan-king.

II. Zuid-China. a. Het Westelijk hooggebergte behoort geographisch meer tot Tibet, dus tot Midden-Azië. Het nog niet in bijzonderheden bekende bergland bestaat uit meridionaal loopende, hooge, steile bergketens, waar tusschen zich de diepe kloofachtige dalen der Jang-tse-kiang, Mekong en hun zijrivieren bevinden. De ketens, die vooral uit kristallijne gesteenten, kalk- en zandsteen schijnen te bestaan, verheffen zich tot 5000 a 8000 M. en zijn voor een groot deel vergletsjerd. Een geweldige kalkketen scheidt dit bergland van het Roode-bekken. De lagere hellingen dezer gebergten zijn met dichte wouden bedekt. Ten Z. van den doorbraak van den Jang-tse-kiang ligt het sterk verkarste kalkplateau van Junnan, gem. 2000 M. hoog, dat met een boogvormigen plateau-breukrand naar het lagere bergland van Kwei-tsjau afdaalt. Op het plateau bevinden zich talrijke meren; de rivieren hebben hier diepe canons uitgegraven, de Mekong (hier Loe-kiang), gaat er dwars door heen, het N. behoort tot het gebied van den Jang-tse-kiang, terwijl het Z.O. door de Songka gedraineerd wordt. — 5. Het Zuid-Chineesche gebergte of Nan-ling. Bijna het geheele overige China is bergland, dat tot het zg.

Sinische systeem behoort. !t Bestaat uit tallooze N.O.-Z.W. loopende, dicht bij elkander gedrongen ketens. Het is door een boogvormige breuktrap, waardoor bij I-tsjang de Jang-tsekiang heenbreekt, in een hooger Westelijk en lager Oostelijk gebied verdeeld. Het Westelijk gedeelte bestaat uit een basis van graniet en oude leien, die door primaire kalksteenlagen wordt bedekt; de hooge toppen, die zich tot ruim 2000 M. verheffen, bestaan dikwijls uit rooden zandsteen, en hebben soms pittoreske vormen. Tusschen dit bergland en het Westelijk hooggebergte ligt een uitgestrekte inzinking het zg. Roode bekken, ± 400 M. hoog, een vruchtbaar gebied, waar b.g. roode zandsteen door den Jang-tse en zijn zijrivieren, vooral de Kia-ling, tot een schilderachtig heuvelland is geërodeerd, en te midden waarvan alluviale vlakten liggen, bv. die van Tsjeung-toe. Het lagere, Oostelijke gedeelte van den Nan-ling heeft over het algemeen zachtere bergvormen en bestaat uit kalk en weeken, rooden zandsteen. De dalen zijn breed en diep. In het W. bereiken deze bergen zelden hoogten van 1000 M.; hooger worden zij weer meer in de nabijheid van de kust, waar zij zich onder den naam van Taju-sjan, soms tot 1500 a 1800 M. verheffen.

De bergketens loopen coulisse-vormig uit tegen de boogvormige kust. Deze is daardoor een echte ria’s-kust, vol diepinsnijdende baaien, steile schiereilanden en kapen en met tallooze kleine rotseilanden. Vóór de Z.kust ligt het 34100 K.M.2 groote eiland Hai-nan. — c. De Centrale vlakte ligt tusschen Tsin-ling en Nanling-sjan en is een grillig gevormd bekken en bevat de dalen van den Jang-tse-kiang (tusschen I-tskang en Kioe-kiang) en zijn zijrivier Hankiang, die het meest centrale gedeelte van China vormen. Door een bergdrempel is zij gescheiden van het gelijksoortige bekken van het Pojang-meer en dit staat weer door een breed, merenrijk dal met de Kleine Chineesche vlakte in verbinding. De bodem van al deze laagten bestaat grootendeels uit zeer vruchtbare klei, maar heeft soms last van overstroomingen. — d. De Kleine Chineesche vlakte, het mondingsgebied van den Jang-tse, is ook een uiterst vruchtbaar kleigebied vol waterloopen en meren. In het Z. dringt de Golf van Hangtsjau diep het land in, terwijl zij in het N. met de Groote Ch. vlakte samenhangt en zoodoende een overgangsgebied vormt tusschen N.- en Z.-China. Door al deze laagten stroomt de Jang-tse-kiang, nadat zij door een reeks van kloven het Westelijke hooggebergte heeft doorstroomd.

De Jang-tse-kiang en haar zijrivieren zijn bevaarbaar. De groote meren reguleeren den waterstand der beneden-rivieren: bij hoog water nemen zij het overtollige water er van op, terwijl zij bij lagen stand er in uitstroomen. Ten Z. van het stroomgebied van den Jang-tse ligt dat van de Si-kiang. Deze rivier ontspringt in Jun-nan, neemt o. a. uit het N. de Lioe-kiang en de Tan-kiang, uit het Z. de Ju-kiang op. Bij Kanton begint een groote delta, die in de golf van Kanton („Bocca Tigris”) overgaat, en die tevens dient voor de rivieren Pe-kiang en Toeng-kiang. Tusschen Jang-tse en Si-kiang monden nog verschillende kleinere rivieren uit, waarvan de Min-kiang en de Han-kiang de voornaamste zijn.

KLIMAAT. Overal heeft China een kouder klimaat, dan men naar de breedte verwachten zou. Vooral N.-Ch. heeft koude winters. Peking heeft een gemiddelde jaartemperatuur van 11.7°, een Januarivan—4.7° en een Jidi-temp. van 26°. In den winter soms tot —20°, ofschoon P. slechts op 40° N.Br. ligt, dus nog Zuidelijker dan Napels. De herfst is, als overal in C., veel warmer dan het Voorjaar. In Midden-C. bedraagt de gem. jaartemp. ongeveer 10V2 a 15°, de Januari3 a 4°, de warmste zomermaand 26° a 28° (I-tskang resp. 16.3°, + 4° en 28.3°, Tsi-kawei bij Sjang-hai 15.2°, 2.7° en 26°, In Zuidelijk C. is het klimaat meer tropisch: gem. jaartemp. in Macao is 22.8°, Januari 15.9’ en Juli 29.3°.

Toch valt er in Kanton, dat nog iets Zuidelijker dan de Kreeftskeerkring ligt, wel eens sneeuw. Geheel C. staat onder den invloed der moesons. In den zomer, wanneer door de sterke verhitting boven Midden-Azië een barometrisch minimum ligt, waaien uit de koelere zeeën Z.O.-winden landwaarts; in den winter, wanneer boven bijna geheel Azië een hoog maximum gevonden wordt, waaien de winden zeewaarts. In verband daarmee heeft C. natte zomers en droge winters. Noord-C. heeft betrekkelijk weinig neerslag (Peking 530 m.M.), maar omdat deze vooral in den zomer valt (alleen in Juli en Augustus 57 %), is hij toch voor den landbouw voldoende. In MiddenChina is de neerslag lokaal zeer verschillend, maar meestal matig; aan de O.bust neemt zij van het N. naar het Z. toe (Kiau-tsjou, ± 600 m.M., Amoy 1180 m.M., Swatow 1409 m.M., Macao 1709 m.M., Honkong zelfs 2291 m.M.).

DIERENWERELD. Ook de oorspronkelijke dierenwereld heeft, evenals de plantengroei, voor het grootste deel plaats moeten maken voor de kuituur. Het rijkst aan wilde dieren is nog het uiterste W. Hier komen nog vele hertensoorten voor, waaronder zonder gewei; het muskusdier, wilde runderen, apen, beren, de panda (Aelurus fulgens), wilde katten, waaronder tijger en panter, civetkatten, wolven en andere hondensoorten; onder de vogelsoorten zijn de vele, soms prachtige fazanten en pauwen merkwaardig; daarnaast talrijke watervogels, als ganzen, eenden, kraanvogels, reigers, in het Z. ook pelikanen.

POLITIEKE INDEELING en DICHTHEID VAN DE BEVOLKING.

Sedert oude tijden is China verdeeld in 18 provincies, als aangegeven in de tabel:

K.M.* inw. per KM.8 Tsjili 314.800 22.970.000 73 Sjan-si 207.300 9.423.000 45 Sjan-toeng 149.600 25.814.000 173 Ho-nan 173.500 22.376.000 129 Sjen-si 199.300 6.726.000 33 Kan-soe 351.400 3.808.000 11 Ngan-hwei 99.300 1.406.800 99 Kiang-soe ........ 181.400 2.125.600 155 Hoe-pei 181.400 2.125.600 117 Sz’tsjwan 61.000 54.506.000 129 Tsje-kiang 91.200 13.943.000 153 Fo-kien 111.200 8.557.000 77 Kiang-si 179.500 16.254.000 91 Hoe-nan 200.500 20.583.000 103 Kwei-tsjou 157.200 9.267.000 59 Jun-nan 396.700 8.050.000 20 Het oude China .. 3.787.000 302.110.000 80 Daarbij komen de drie provincies van Mantsjoerije:

Ho-loeng-kiang 525.500 K.M.* 1.562.000 inw.

Kirin 272.000 „ 5.349.000 „ Sjingking (Moekden) 141.800 „ 5.831.000 „ Mandsjoerije .. 939.300 „ 12.742.000 „ Ook het onmiddellijk aan China behoorende: Sin-tsjiang (Tarimbekken en Dsoengarije), 1.426.000 K.M.* 1.768.000 inw.

De bijlanden:

Tibet 2.109.000 K.M.* 2.000.000 inw.

Mongolië . 2.787.600 „ 1.800.000 „ Geheel C. 11.138.900 ., 330.000.000 „ Het dichtst bevolkte deel van China is het Roode bekken en vooral de alluviale vlakte van Tsjeng-toe, waar de dichtheid op ± 600 per K.M.* geschat wordt. Daardoor heeft de provincie Sz’tsjwan, ofschoon het overige verreweg het grootste deel ervan dun bewoond bergland is, nog gem. 130 per K.M.* Verder zijn dicht bevolkt Sjan-tong (173 per K.M.*), de Kleine (meer dan 150 per K.M.*) en de Groote Chin. vlakte (meer dan 120 per K.M.*). Het centrale C. (Kiang-si en Hoenan) heeft ± 100, de Zuid-Oostelijke kuststreek 100 a 77 per K.M * Dunner bevolkt zijn Zuid-C. (25 tot 20), het Westelijk hooggebergte (minder dan 20) en de eigenlijk reeds tot Mongolië behoorende en daaraan grenzende steppestreken, waardoor Kan-soe niet meer dan 11 inw. per K.M.* heeft.

NEDERZETTINGEN. China is rijk aan groote nederzettingen, ten gevolge van de neiging der Chineezen om dicht op elkaar te gaan wonen. Hoofdstad van het Rijk is Pe-king (C93.000 inw.) aan de Pei-ho; mondingshaven van die rivier is Tien-tsin (800.000 inw.). De oude hoofdstad Tai-juen (300.000 inw.) ligt in de provincie Sjan-si; in Sjan-toeng liggen Tsji-foe (54.000 inw.) aan de kust en Tsi-nan aan de beneden Hoang-ho aan dezelfde rivier, hoogerop, nabij de plaats waar de spoorweg Peking —Han-kou haar passeert, en waar de veranderlijkheid van den loop aanvangt, ligt Kai-teng; middelpunt der wegen van NoordChina is de oude residentiestad Si-ngan (± 1.000.000 inw.), aan de Wei-ho, niet ver van haar mond in den Hoang-ho; .waar de weg van hier door Midden-Azië den Hoang-ho passeert, ligt Lan-tsjou (500.000 inw.); aan den N.rand van den Nan-sjan liggen nog Liangtsjou, Kan-tsjou en Soe-tsjou. In het mondingsgebied van den Jang-tse-kiang liggen talrijke havens, nl. de oude residentie Nan-king (369.000 inw.), Tsjing-kiang (184.000 inw.), Soe-tsjou (500.000 inw.) en vooral het internationale Sjang-hai (651.000 inw.). Aan den Jang-tse-kiang liggen verder Woe-hoe (98 000 inw), de drie-dubbelstad Hankou-HanjangWoetsjang (1.426.000 inw), de grootste en meest centrale stad van China, punt van samenkomst der voornaamste waterzoowel als landwegen, met geweldig verkeer en voor groote zeeschepen bereikbaar; verder Sja-si (90.000 inw.), I-tsjang (65.000 inw.), tot waar zeeschepen kunnen komen; Tsoeng-king (698.000) is de haven van het Roode Bekken; bij Soeifoe (of Soe-tsjou) houdt de bevaarbaarheid van den Jang-tse op. Centrum van het Roode bekken is Tsjeng-toe (400.000 inw.). Aan de kust van Zuid-C. liggen talrijke havens o. a. Hangtsjou (694.000 inw.), Sjao-hing (300.000 inw.) en Ning-po (460.000 inw.) aan de golf van Hang-tsjou; zuidelijker aan de ria’s-kust liggen Wen-tsjou (100.000 inw.), Foe-tsjou (624.000 inw.), Amoy (114.000 inw.), haven der aanzienlijke industriestad Tsjang-tsjou (500.000 inw.), Swatow (70.000 inw.). In het binnenland liggen Nan-tsjang en Hsiang-tan (± 1.000.000 inw.); in Jun-nan Tali en Jun-nan; in het Sikianggebied Woe-tsjou (40.000 inw.) en de mondingshaven Kanton (± 900 000 inw.). Op Honkong ligt de Engelsche stad Victoria (366.000 inw.).

BESTAANSMIDDELEN.

Landbouw is verreweg het belangrijkste middel van bestaan; de geheele Ch. kultuur is er op gegrondvest. Bijna uitsluitend komen kleine boerderijen voor, waardoor de landbouw dikwijls het karakter van tuinbouw heeft aangenomen. Irrigatie wordt veel toegepast. De gewichtigste korensoort is rijst. Zij wordt in geheel Zuid-China, vooral in de breede rivierdalen en in de alluviale vlakten verbouwd en ook in een groot gedeelte van de Groote Ch. vlakte. De N.-grens gaat van Tien-tsin Zuidwestwaarts naar den Kwen-lun. In NoordChina, met zijn lössbodem, is tarwe de voorn, korensoort; daarnaast komen in C. nog gierst, mais, gerst en rogge voor, de beide laatsten vooral in het Westelijk gebergte. Peulvruchten vormen, vooral in Noord-Ch. een belangrijk volksvoedsel.

Uit Tsji-li en Sjan-tong worden ze ook uitgevoerd. Ook worden veel groenten (kool, sla, uien) en vruchten verbouwd. Van de laatsten o. a. meloenen, komkommers, de eiervrucht (Solanum melongena), de moerbei (in verband met de zijdeteelt), granaatappelen, perziken, druiven, kersen. Onder de genotmiddelen neemt de thee de eerste plaats in. Zij wordt ten Z. van den Kwen-lun en ten N. van de Si-kiang overal verbouwd, en wel voorn. op de hellingen van het heuvelland; de beste thee groeit in de buurt van de kust. ’t Is tevens een der voorn, uitvoerproducten (in 1913 60.000.000 K G.). De opiumcultuur, die vroeger zeer belangrijk was, is sedert de verbodsbepalingen van 1906 en 1911 erg achteruit gegaan. Nog het meest komt hij in Sz’tsjwan voor. Tabak wordt ook veel verbouwd (uitvoer in 1913 9.200.000 K.G.). Van de voor industrieele doeleinde verbouwden planten staat de katoen bovenaan, die overal in C. voorkomt, behalve in het Westelijk hooggebergte. In 1913 werd er 48.200.000 K.G. van uitgevoerd.

Andere textielplanten zijn hennep en rameh. Olie leveren rapen (Brassica chinensis), sesam, aardnoten en sojaboonen. Belangrijke producten van Zuidelijk C. zijn suiker (uitvoer in 1913, 16.800.000 K.G.), indigo en bamboe. Lak of olie leveren sommige boomen, bv. de Elaeococcus verrucosa in Sz’tsjwan, de lakboom (Rhus vernicifera), de talkboom (Sapium sebiferum). Da kamferboom (Cinnamomum Camphora), levert kamfer. Boschbouw komt in C. niet voor. Slechts weinige streken, als West-Sz’tsjwan, leveren hout; een in het wild groeiend product van dezelfde streek is de rhabarber. De zijdeteelt is een der belangrijkste middelen van bestaan: de zijderupsen leven aan de bladeren van den moerbeiboom, terwijl in Sjan-tong andere soorten van eikebladeren leven.

In 1913 werd alleen aan ruwe zijde 9.000.000 K.G. uitgevoerd, d.w.z. ongeveer 28 % van de wereldproductie. De voornaamste zijdestreken zijn Sz’tsjwan, Tsje-kiang en Kwan-tong. In Sz’tsjwan wordt ook een soort bladluis geteeld (de Coccus pela), die op een esch leeft en was levert. De veeteelt is niet zeer belangrijk; runderen en buffels worden als hulpdieren bij den landbouw gebruikt; hun huiden worden uitgevoerd; varkens vormen het voorn, slachtvee, vooral in Zuid-C.; in Noord-C. ook schapen. De paarden zijn klein en dienen voor het vervoer, evenals de vele ezels en muildieren; in het uiterste N. ook kameelen. Veel meer beteekent de visscherij zoowel in de rivieren als aan de zeekust; naast rijst en varkensvleesch is visch het voornaamste volksvoedsel. In de rivieren worden o. a. verschillende soorten van steuren en zalmen gevangen; in de ZuidChineesche zee veel schildpad en tripang.

Aan mineralen is C. zeer rijk. Steenkolen komen in bijna alle provincies voor. De voorn, mijnen zijn die van Kai-ping in Tsji-li, van Ho-nan en van Sjan-tong; anthraciet wordt in Sjan-si gewonnen; hier vindt men ook veel ijzer, evenals bij Han-kou. Junnan levert koper; rijke kopermijnen vooral bij Kioe-kiang. Wat de uitvoerwaarde aangaat staat tin onder de metalen bovenaan (in 1912 ± 105.000 ton voor / 21.000.000), het wordt vooral in Jun-nan en Sz’tsjwan gewonnen (mijnen van Ha-tsjou en Meng-tze). Hoe-nan levert antimonium; verder vindt men nog lood, zilver, kwik (in Kwei-tsjou) en wat goud. Petroleum wordt in het boven-Jang-tze-gebied en in Sjen-si, zout o. a. in Jun-nan gewonnen. Kaolin dient als grondstof voor de porceleinfabricage.

Industrie. In den laatsten tijd begint een groot-industrie op te komen, voorn.: katoen-, wol- en zijdespinnerijen. In Han-jang (Han-kou) zijn met de laatste revolutie groote ijzergieterijen vernield. Verreweg het meeste der overigens aanzienlijke Chineesche industrie is werkplaats- en huisindustrie, die dikwijls het karakter van kunstnijverheid draagt. — Belangrijkste producten zijn papier, stroovlechtwerk, matten, aardewerk, porcelein, lakwerk, waaiers, ivoor-, hout- en steensnijwerk, vuurwerk, metaal(vooral brons) werk, émail, enz.

Verkeer en handel. Gedurende 1912 werden de Ch. havens aangedaan door 169.936 schepen, inhoudende 86.206.497 ton, waarvan 107.698 Chineesche,met 17.277,406 ton. Voorden buitenlandschen handel dienden hiervan 34.543 schepen, inhoudende 12.847.881 ton; de rest was kustvaart. Vóór 1840 was Kanton de eenige haven, die voor den buitenlandschen handel openstond. In 1842 (na den „Opiumoorlog”) werden de eerste zg. tractaathavens geopend, nl. Amoy, Foetsjou, Ningpo en Sjanghai. Later volgden vele anderen, zoodat nu 44 plaatsen, zoowel aan de kust, als aan de bevaarbare rivieren en in het binnenland voor den buitenlandschen handel toegankelijk zijn. Daarenboven gaat een groot gedeelte van den Chineeschen handel over de zg. „pacht”-havens.

Vooraan staat Sjanghai, met in 1912 een import van ƒ187.550.000 en een export van ƒ147.000.000. Dan komen in volgorde Tientsin, Hankou en Canton. Voor het rivierverkeer is de Hoangho van weinig waarde; de Peiho en zijn bijrivier de Hweiho worden in hun benedenloop bevaren; zij staan door het beroemde, nu verwaarloosde, ruim 1700 K.M. lange Keizerskanaal met de beneden Jangtse in verbinding, terwijl een net van zijkanalen er op uitmonden. Zeer belangrijk voor het binnenverkeer zijn de Jangtsekiang en zijn zijrivieren evenals de rivieren van het Sikianggebied. De grootste zeeschepen kunnen de mondingen der beide hoofdrivieren invaren, zelfs Itsjang is voor zeeschepen bereikbaar. Verderop is de Jangtse weer in het Roode bekken bevaarbaar, tot Soeifoe toe. De dalen der Zuidelijke bijrivieren van den Jangtse en de Noordelijke van de Sikiang staan door gemakkelijke passen met elkander in verbinding; een hoogst belangrijke handelsweg is die langs de Pekiang over den Meilingpas naar de Siangkiang en verder via Hankou de Hankiang op naar Noord-C. Andere belangrijke wegen zijn die van Hankou over Singan en Lan naar MiddenAzië en verder; die langs de Jangtse naar het Roode Bekken en van Soeifoe naar Junnan en Birma; en via Tsjentoe W.waarts naar Tibet.

Over het algemeen gaat het verkeer in Noord-C. meer per as of vrachtdier, in Zuid-C. meer per schip; de landwegen zijn meestal slecht onderhouden. In den laatsten tijd komen er de spoorwegen bij. Van Hankou gaat een lijn via Kaifeng naar Peking, die over Tientsin met het Mandsjoerijsche net en over Kalgan met de Mongoolsche karavaanwegen in verbinding staat. In aanleg, en gedeeltelijk reeds klaar, zijn lijnen van Hankou naar Kanton en naar Sjanghai; enkele zijlijnen sluiten zich bij deze hoofdlijnen aan. Sjanghai is tevens via Nanking en Tsinan met Peking verbonden; van Tsinan gaat een lijn naar Kiautsjou in Sjantong. In het begin van 1914 had China (met Mandsjoerije) 9600 K.M. spoorweg en 3660 K.M. in aanleg.

De gezamenlijke import der tractaathavens bedroeg in 1913 een waarde van ƒ1083.480.000, de export een van ƒ 745.260.000.

De voorn. uitvoerartikelen waren in 1913: zijde (ruwe, bewerkte en afval) .. f 185.940.000 thee ……………………. ……….... 46.500.000 katoen …………………………….. 30.660.000 tin ………………………………….. 21.000.000 stroovlechterijen …………………. 9.420.000 papier ……………………………… 6.030.000 tabak ………………………………. 4.800.000 porcelein ………………. …………. 3.900.000 matten …………………………….. 3.300.000 suiker ………………………………. 1.140.000 verder huiden, lakwerk, sesamzaad, olie, boonen enz.

De voorn, invoerartikelen zijn katoenen en wollen goederen, opium, metalen en metaalwaren, koren, rijst, visch, sigaretten, enz.

POLITIEK.

Sedert 12 Febr. 1912 is Ch. een republiek. Aan het hoofd staat een president en een vicepresident bijgestaan door een ministerie. De volksvertegenwoordiging bestaat uit een Senaat (T’senjijoean), gekozen door de provinciale vertegenwoordigingen, en een 2e Kamer (Tsjoengjijoean) van 596 leden, volgens een kieswet door het Ch. volk gekozen. Aan het hoofd van een provincie staat een militaire gouverneur (Toetoeh), waarnaast een civiele autoriteit geplaatst is. De vlag bestaat uit vijf banen: rood, geel, wit, blauw en zwart. Hoofd- en residentiestad is Peking. Ch. heeft geen eigenlijk budget; in 1912 werden de inkomsten op ± f 490.000.000, de uitgaven op ± / 940.000.000 geschat. De nationale schuld bedroeg in 1913 f 2.426.700.000.

Aan het hoofd van de rechtspraak staat een Hooggerechtshof (Talijoean), waaronder de provinciale gerechtshoven (Kaotengsjenpanting)

staan, en daaronder weer de districtsrechtbanken en de gerechten van eersten aanleg.

LEGER.

Bij de Chineesche regeering is het streven merkbaar tot vorming van een krachtig modern leger. Tengevolge van de ongeregelde toestanden, de herhaalde revoluties, de onlusten in Zuid-China, enz. is de doorvoering echter zeer moeilijk. Dientengevolge verkeert het geregelde Chineesche leger nog geheel in een staat van wording. Bij keizerl. edict van September 1901 werd tot oprichting van 36 divisiën besloten, waarvan er bij de revolutie in 1912 4 waren gevormd. Sedert zijn hieraan eenige divisiën republikeinsche garde toegevoegd.

AFKOMST EN AARD DER CHINEEZEN.

Over den allereersten oorsprong ligt de geschiedenis in het duister. Door vele geleerde sinologen zijn theorieën en verhandelingen over dien oorsprong geschreven, maar wetenschappelijk zeker is hij nooit aangetoond kunnen worden. Het is het bekken van de JangTsz’e rivier, dat de geschiedenis de Chineezen voor het eerst onder onze aandacht bracht, maar waar zij vandaan kwamen, vóór ze daar verschenen, is nooit met zekerheid uitgemaakt, al wordt verondersteld, dat ze van het Noordwesten kwamen. Er is eene aanwijzing in het Chineesche karakterschrift, die een afkomst uit het Westen bevestigt, namelijk deze, dat het ideografische schriftteeken voor „willen’!

bestaat uit eene symbolische samenstelling van twee karakters, waarvan het eene het schriftteeken voor „westen” en het andere dat voor „vrouw” is. Wat is het voornaamste, dat een emigrant wil, als hij in den vreemde is, waarhéén gaat dan zijn hoogste verlangen? Naar een vrouw uit zijn eigen land. En zóó is het Chineesche karakter voor „willen” onafscheidelijk geworden van een vrouw uit het Westen. Het is de Shoe-King, waarin we voor het eerst, in ’t eerste hoofdstuk, dat in 2356 v. C. begint, van een geordend Chineesch rijk lezen in het bekken van de Jang-Tsz’, maar het is wel zeker, dat reeds eene ontzaglijke groote periode was verloopen, voordat het bedoelde hoofdstuk der Shoe-King aanvangt. Het is wel zeker, dat hetgeen men pleegt te verstaan onder de Chineezen van thans, géén puur onvermengd volk is. Daarvoor is hun innerlijke, constructieve kracht ook te geweldig. Het is de vermenging der volken, die de krachtige rassen maakt. Pure, onvermengde rassen, dit heeft de wetenschap uitgemaakt, blijven niet zóó lang krachtig bestaan als het Chineesche.

Er is eene voortdurende vermenging geweest van Aziatische, voornamelijk Mongoolsche stammen, wier trekken nog steeds duidelijk zijn op te merken in de verschillende variëteiten van het Chineesche karakter, en toch heeft dit niet belet, dat als een geheel, het Chineesche rastype het meest distinct individueele is van alle volkeren der wereld. Sommige oude gewoonten wijzen op een uit de grijze oudheid dateerende nomadische afkomst der Chineezen. Als een groot geheel worden de Chineezen tot het zg. Toeranische ras gerekend, waartoe ook de Finnen en misschien zelfs de oude Etruscische en Dravidische stammen van Indië behooren. De verre afkomst van de Chineezen als een oorspronkelijk slechts betrekkelijk klein getal emigranten uit het Westen wordt ook eenigszins aangeduid door de bekende uitdrukking „pai sing” voor „volk”, en „pai sing” beteekent hier „de honderd familienamen”. Oorspronkelijk zouden er dus slechts honderd families hebben bestaan, waarvan het Chineesche volk afstamt. Ook thans zijn er, op dit volk van ruim 300 millioen menschen, nog maar een zeer gering aantal familienamen. In keizer Khang Hsi’s dictionnaire staan slechts 408 zg. „enkele” en 30 „dubbele”, alzoo slechts 438 totaal.

Chineesche geschiedvorschers hebben deze namen nagespeurd tot meer dan 3000 jaar geleden. Zóó vast is het geloof aan de verwantschap dier 438 families door de eeuwen heen, dat Chineezen van denzelfden familienaam, ofschoon elkaar geheel onbekend, elkaar toch als verre familie beschouwen, en huwelijken tusschen mannen en vrouwen van denzelfden familienaam als een soort bloedschande beschouwd worden en bij de wet strafbaar gesteld zijn. De vorm van het thans nog algemeen bij Chineesche huizen in gebruik zijnde dak — „th’ing” — die aan den vorm van een tent, op stokken gespannen, doet denken, wijst volgens vele sinologen op een nomadenafkomst. De zg. „Miao Tse” in het Zuid-Westen van China worden als de alleroudste oorspronkelijke bewoners van China beschouwd (zie MIAO TSE). — Ethnologisch gelijkende Chineezen op vele andere rassen. Door hun zwarte oogen, dunne baarden, hooge wangbeenderen, grove lippen en ongevoelig air gelijken zij op de Roodhuiden, door hun gelaatshoek op de Arische rassen, door hun platte neuzen op de Negers. De Chinees heeft Mongoolsche trekken, verzacht door een vrouwelijk element, en als verbleekt door Samojeedsche of Siberische infusie, hij heeft soms, door zijn half-wilde expressie iets van een satyr, en de scheefheid van zijn oogleden, ontstaan door de zeer kleine opening van de binnenste hoeken, wijst weder op een oorsprong in die hooge breedtegraden waar, zooals opgemerkt is, de natuur op dezelfde wijze de lacrymale structuur beschermt van herkauwende dieren. Deze scheeve oogleden moeten de chineezen reeds 2000 jaar v. C. gehad hebben, daar zij reeds voorkomen in ideograpische karakters (zie hierbeneden TAAL) waarin oog voorkomt, die nog over zijn uit de toenmalige Shangdynastie. — Volgens de Chineesche traditie zou millioenen jaren geleden het eerste menschelijke wezen, genaamd P’an Ku, ontstaan zijn, van hetwelk zij afstammen, maar de eerste histosche keizer, al is die ook nog legendarisch, is Foe Hsi (2852—2738 v. C.). Deze zou voor !t eerst het sociale leven der Chineezen hebben geordend uit een chaotisch bestaan, waarin o.a nog geen familie bestond, daar, zooals het heet „de kinderen wél hun moeders kenden maar niet hun vaders’-. Deze Foe Hsi leerde zijn volk jagen, visschen en kudden houden, vervaardigde muziekinstrumenten en voerde het Schrift door middel van geknoopte koorden in.

Na hem kwam de keizer Shen-Noeng, of „Heilige Landbouwer”, die de agricultuur regelde en er de werktuigen voor uitvond, en ook de medicinale kracht van sommige planten ontdekte. Vóór Foe Hsi heerschte in China het matriarchaat, en hij was het, die den man als hoofd van de familie aanstelde en het patriarchaat invoerde. De derde historische, maar ook nog legendarische keizer was „Hwang Ti”, d. i. de Gele Keizer. Deze Hwang Ti breidde de grenzen van het rijk uit, dat oorspronkelijk beperkt was tot een grondgebied aan de oevers van de Jang Tsz’ rivier en de tegenwoordige stad Si-Ngan-Foe. Onder Hwang Ti, die volgens sommigen in 2941 v. C., volgens anderen in 2704 v. C. begon te regeeren, werden de voornaamste cultuurhervormingen van ’t oude China ingevoerd. Foe Hsi, Shen Nung en Hwang Ti zijn de „Drie (legendarische) Keizers” van China. Onder Hwang Ti werd een lichaam van officieele historische schrijvers ingesteld, met als Voorzitter Tsh’ang Kjeh, aan wien de uitvinding der eerste hieroglyphische schriftteekens wordt toegeschreven. (Zie hierbeneden TAAL)

Hwang Ti was de eerste bouwerk van tempels, huizen en steden, de regelaar van den kalender, en de bevorderaar van handel en verkeer door middel van ossenwagens en booten. Zijn vrouw, bekend als „De Dame van Si-Ling”, moet den eersten stoot hebben gegeven tot het fokken van zijdewormen en het fabriceeren van zijde. Ook de muziek en de maten en gewichten werden door Hwang Ti geregeld en vooruitgebracht. — De naam China is niet van Chineeschen maar vermoedelijk van Maleischen oorsprong, en werd in den beginne alleen gegeven aan hetgeen thans Indo-China heet. De Chineesche naam is Tsoeng Kwoh (Rijk van het Midden) of Hoa Kwoh (Bloemrijk Rijk). De moderne Chineezen noemen zich Tsoeng Hoa (in Ned. Indië uitgesproken: Tiong Hwa).

Een der oude Europeesche namen voor China was Cathay. De Mandsjoes zijn, etymologisch, nooit recht tot een juisten oorsprong teruggebracht, maar kunnen geklassificeerd worden onder de Oeral-Altaïsche stammen, linguïstisch beschouwd. Sommige autoriteiten beschouwen hen als afstammelingen van de Khitans (vanwaar de naam Cathay of Khatay), die in de 9e en 10e eeuw in de bovenste Liaostreken woonden. Eerst in de 16e eeuw werd de naam Mandsjoes voor het eerst bekend, en namen zij bezit van hetgeen thans Mandsjoerije heet.

Zij waren toen al sterk vermengd met Chineesch en Koreaansch bloed. De naam beteekent „Meester”. De Mandsjoes zijn een sterker ras dan de Centraal- en Zuid-Chineezen, maar gelijken zeer op de Noord-Chineezen, behalve dat hun oogen horizontaal staan. Hun taal is alphabetisch. De vrouwen hebben niet de verwrongen kleine voeten der Chineesche, en dragen het haar gedraaid rond een zilveren spang, kruisgewijze op den top van het hoofd geplaatst. De musculatuur en de welgemaakte bouw van het Chineesche landbouwersvolk hebben het den naam „Anglo-Saksers” van Azië gegeven. De physieke gehardheid van den werkman — „Kh’oe lih = bittere kracht geheeten, in ’t buitenland: koelie — is evenzeer bekend als zijn soberheid en enorme werkkracht. Ondanks het sterke verschil tusschen inwoners van verschillende provincies zijn toch enkele trekken algemeen voor het geheele ras.

De lichaamslengte is beneden het gemiddelde, behalve in ’t Noorden, en is zelden meer dan 5 voet 4 inch Engelsch. Het hoofd is normaal brachycephalisch of horizontaal rond, het voorhoofd lang en smal, het gezicht rond, de mond groot, en de kin smal en terugspringend. De wangbeenderen zijn uitstekend, de oogen amandelvormig, oblique opwaarts en buitenwaarts, het haar grof, sluik en altijd zwart. De baard komt op laten leeftijd en is gewoonlijkschaarsch, de wenkbrauwen zijn recht en de pupil zwart. De neus is meestal kort, breed en dik; de handen en voeten zijn zeer klein en het lichaam neigt tot zwaarlijvigheid. De gelaatskleur varieert van een bijna bleek geel tot een donker bruin, zonder roodachtigen tint. Geel komt het meeste voor.

P o s i t i e d e r V r o u w. De Chin.

huwelijken worden gesloten door bemiddelaars, aangesteld door de ouders, zonder dat de uit te huwelijken kinderen daarbij iets te zeggen hebben. De positie der vrouw was tot voor kort een zeer inferieure in China. Thans, nu China in het teeken der hervorming is komen te staan, wordt dit veranderd, en heeft het vrouwenvraagstuk ook in China zijn intrede gedaan. Meisjes gaan reeds naar school; er zijn zelfs vrouwelijke studenten, vrouwelijke journalisten en schrijfsters, en er is sprake van, in het nieuwe Burgerlijke Wetboek het erfrecht aan vrouwen toe te kennen, maar tot voor betrekkelijk korten tijd was de vrouw in China de mindere van den man, als meisje ondergeschikt aan haar vader, als vrouw aan haar man en als weduwe aan haar oudsten zoon. Als echtgenoote had zij te verdragen, dat haar man bijvrouwen onderhield, al bleef zij toch de wettige hoofdvrouw. Een vrouw mocht door haar man verlaten worden om zeven redenen, waarvan er één babbelzucht was, maar de wet voorzag niet in redenen, waarom de vrouw den man verlaten mocht.

Zelfs werden vrouwen verkocht, hoewel dit niet wettelijk geoorloofd was. Tot voor kort was het gewoonte, de voeten van meisjes reeds van haar eerste jeugd af te misvormen door ze nauw te binden en zóó den groei te verhinderen. Daardoor liep de vrouw moeilijk waggelend en was niet in staat tot verre wandelingen. Meisjes werden door de arme klassen veelal als last beschouwd en verkoop van meisjeskinderen kwam veel voor. Een vrouw was eerst een wezen van beteekenis in China, als zij moeder was geworden, en als moeder in huis genoot zij eerst een respectabele positie. Maar hetgeen in Europa „sui juris” heet was zij niet.

K l e e d i n g. Wat de kleeding aangaat, sinds eenige jaren beginnen de Chineezen de Europeesche kleeding aan te nemen, evenals de Japanners, maar nog slechts een tiental jaar geleden was een Europeesch gekleede Chinees een zeldzaamheid. De echt Chineesche kleeding is zeer smaakvol. Zoowel man als vrouw dragen hierbij een lange losse jas of robe, dicht aan den hals gesloten, met wijde mouwen, en korte, wijde broek. Over de jas wordt meestal een kort vest zonder mouwen gedragen. Voor winterdracht worden extravesten genomen, soms 5 of 6 over elkaar.

De Chineesche vrouw toont nooit iets van haar lichaam bloot in het publiek en Europeesche decolleté’s met bloote borst en armen worden zeer onkuisch gevonden. Daarentegen ziet men in zomerhitte veel Chineezen naakt tot aan den gordel. De kleeren van ’t gewone volk zijn van katoen, die van de betere klassen van zijde. In den winter is duur bont zeer voornaam.

In de oude tijden droegen de Chineezen het haar zoo lang, dat het in een knoop of wrong van boven kon worden samengehouden, maar na de verovering van China door de Mandsjoes werden zij, als teeken van onderwerping, gedwongen, de haarvlecht te dragen, die dikwijls werd langer gemaakt door invlechting van zijde. Het voorste gedeelte van ’t hoofd werd daarbij geschoren. De vrouwen schoren het hoofd niet en droegen ook geen haarvlecht. De mannen dragen een nauw passenden, ronden hoed, de boeren breede strooien hoeden. De vrouwen dragen gecompliceerde hoofdornamenten bedekken het haar met kunstbloemen en kunstvlinders, verven haar wenkbrauwen en leggen „rouge” op.

Een teeken van voornaamheid, daar het ruwen handenarbeid uitsluit, is het dragen van zeer lange verzorgde nagels.

De revolutie van 1911—1912 heeft, hoewel nog niet algemeen, toch voor een zeer groot deel van het Chineesche volk, de haarvlecht afgeschaft, daar deze oorspronkelijk onderwerping aan de Mandsjoes beteekende.

V o e d s e l. Het voornaamste voedsel in de Zuidelijke en Centrale provincies is rijst, in de Noordelijke eet men ook veel gierst. In aparte kommen wordt bij de rijst varkensvleesch, visch, groenten en ander voedsel opgediend. Rijst, meel, boonenmeel, macaroni en schaaldieren worden veel gebruikt. Rundvleesch wordt niet gegeten, wel hondenvleesch, vooral in Kanton. Haaienvinnen, zeeslakken, een kleverige stof, gevonden in vogelnesten, eendentongen, kippenhersens, hertenzenuwen, pitten van den lotus en andere lekkernijen zullen een Europeaan, die in China reist, vreemd op tafel voorkomen. Een soort bier, uit rijst gebrouwen, is een gewone drank, en ook een rijstwijn, genaamd „sam-shoe”.

Thee is een algemeene volksdrank, voor en na het eten, geschonken in koppen zonder oor, en zonder schoteltje meestal, maar meestal wèl met deksel. De zeer arme klassen drinken warm water in plaats van thee. Het voedsel wordt gegeten met eetstokjes en kleine porseleinen lepeltjes, en wordt opgediend in kommen. De mannen eten alléén, zonder vrouwen, als er gasten zijn, vrouwen geven diners aan vrouwen. De Chineezen zijn meesters in de culinaire kunst, en in dit opzicht doen ze alleen onder voor de Franschen.

O p v o e d i n g e n o n d e r w ij s. Het onderwijs in China beperkte zich tot bijna het einde der 19e eeuw tot de studie der klassieken. Niemand kon ambtenaar worden, die niet een klassiek examen had afgelegd. De staat voorzag alleen in elementair onderwijs. Gegoede Chineezen engageerden privaat-onderwijzers voor hun zonen (meisjes kregen geen onderwijs) en minder bedeelden betaalden samen een kleine school voor hun gezamenlijke kinderen. De jongens leerden 4 a 5 jaar karakters van buiten, en stukken uit de klassieken, zonder de beteekenis te begrijpen. In hoofdsteden eener prefectuur en eener provincie werden colleges betaald uit publieke uitgaven, en ook daarin werden, maar grondiger dan op de andere scholen, de klassieken onderwezen. Op de periodieke staatsexamens was de opgave literaire opstellen over de klassieken. Drie graden werden hierbij toegekend, die van Sioe Ts’ai (bloeiend talent), Chü Jên (gepromoveerde geleerde) en Tsin Shih (binnengetreden geleerde).

De laatste werd alleen toegekend op het eindexamen te Peking. Het eerste onderwijs volgens Westersch systeem werd gegeven door R.K. zendelingen, en later door Protestanten. Verschillende pogingen werden in den loop der tijden gedaan om het Chineesche onderwijs, dat wel zeer literairklassiek, maar ook weinig meer was, op Westerschen voet te hervormen, maar de groote stoot werd er aan gegeven door Chang Chih Toeng, den onderkoning der Kantonprovincie, die na den Chin.-Jap. oorlog van 1894-’95 een boek uitgaf „China’s only Hope”, waarin hij den noodkreet slaakte, dat zonder modern, wetenschappelijk onderwijs China te gronde zou gaan. Dit boek was een der factoren van de groote hervormingsbeweging. Chang Chih Toengs streven werd door de Bokserbeweging tijdelijk tegengehouden, maar na deze, in 1902, aanvaardde de Chin. regeering zijn voorstellen, en verordeningen werden uitgevaardigd om het onderwijs van Staatswege op moderne wijze te hervormen. In ’t zelfde jaar werd in Peking een moderne universiteit geopend. Het nieuwe systeem omvat de studie der Chin. taal en literatuur, de moderne wetenschappen, geschiedenis en aardrijkskunde,vreemde talen, gymnastiek, militaire dril, en in de hoogere scholen politieke economie en civiel en internationaal recht.

Voor wetenschappelijke en technische vakken werd het Engelsch als voertaal voorgeschreven. In 1910 waren zg. primaire en secondaire scholen overal in het rijk in zeer grooten getale verrezen, op een inderdaad verrassende schaal, benevens speciale scholen voor agricultuur en opleiding van ingenieurs, en ook normaalscholen voor opleidingvan onderwijzers. Een apart „Hioh Poe” (Ministerie van Onderwijs) werd ingesteld. In iedere provincie werd een Keizerlijke Universiteit opgericht. In Peking verrees een Medische school. Een zeer groote hoeveelheid Westersche boeken over filosofie en technische wetenschappen werden in het Chineesch vertaald, en een groot aantal studenten togen naar Japan, Amerika en Europa om daar de Westersche wetenschap te bestudeeren.

Daar ingezien werd, dat eenheid van volk zonder eenheid van taal onmogelijk is, werd één uniforme taal, het mandarijn-Chineesch, thans niet meer met dien naam, maar met „kuo yü” d. i. „Taal van het Rijk” aangeduid, op alle lagere scholen ingevoerd.

S t a n d e n i n C h i n a. Over ’t algemeen bestaat in Ch. niet de scherpe standafscheiding van Europa. De hoogste in aanzien zijnde stand is die der geletterden. Van oudsher waren in C.

vier groote verdeelingen, die men, standen zou kunnen noemen, nl.:

1. Shih, of geleerde, geletterde; 2. Loeng of landbouwer; 3. Koeng of handwerksman; 4. Shang of koopman. Onder „Shih”, behoort oorspronkelijk ook verstaan te worden „Krijgsman, Dappere” (het is het karakter waarmede men in Jap. „Samoerai” schrijft), maar niet de krijgsman alleen, doch altijd samengaande met fijn beschaafde, geletterde en geleerde. Er wordt in C. niet neergezien op iemand van zeer lage afkomst, die hooger opkomt, wanneer die opkomst aan literaire ontwikkeling is te danken. De armste werkman kan in C. tot de hoogste posten opklimmen, door studie, en dan zal dit hem niet tot schande maar tot eer worden gerekend.

B o e d d h i s m e i n C h i n a. — Er wordt wel eens aangenomen, dat reeds in 120 v. C. de Chin. keizer Woe Ti van de Handynastie van een zijner gezanten en generaals, die de „Yueh Chi” (Huaneu) in ’t D. bezocht, een gouden. Boddhhisattva-beeld medegebracht kreeg, maar hiermede kan nog niet gezegd worden, dat het Boedhisme was ingevoerd. Eerst in 61 n. C. kan een missie worden getraceerd, die door keizer Ming Ti, naar aanleiding van een droom, waarin Boeddha hem verscheen, naar ’t W. werd gezonden, om daar inlichtingen en boeken te zoeken omtrent Boeddha. Deze missie kwam tot Magadha, in Centraal-Indië, ten N. van de Ganges, en kwam terug met boeken en reliquiën. Van dien tijd af werd het Boeddh. in China bestudeerd en als religieuze filosofie aangenomen.

Twee indische priesters, Kashiapmandanga en Gobharana kwamen in 69 n C. in China, en te Lo Yang, toen de hoofdstad van ’t rijk, werd een tempel voor hen gebouwd, waar zij boeddh. geschriften in ’t Chin. vertaalden. De volgende 260 jaar kwam een onafgebroken serie boeddh. priesters uit Indië in China, en vertaalden een zeer groot aantal boeddh.

geschriften. Tot de 4e eeuw n. C. toe was het aan Chineezen verboden, boeddh. priester te worden, maar reeds had het boeddh. geloof, door de Indische monniken gepredikt, een zeer grooten aanhang gekregen. Chin. priesters togen later naar Indië op bedevaart. Twee der bekendste onder hen zijn Fa Hjen, die in 399 een reis aanvaardde, van Centraal China, door de woestijn Gobi, naar Khotan, en door de Hindoe Koesj naar Indië, en die in 414 terugkeerde, met een karavaan boeken en beelden, na tot Calcutta te zijn geweest en 2 jaar in Ceylon te hebben gewoond, en Hiuën Tsang. De laatste reisde in 629 uit China, om eerst in 645 terug te keeren, eveneens met een lading boeken, 647 in getal, en 150 relieken. Behalve de vertaling dier boeddh. geschriften schreef hij de beroemde „Si Ioe Kie”, de Annalen der Rondzwervingen in ’t Westen. In 401 kwam Kumarajiva, de 19e Westersche patriarch, die het „Diamanten Soetra” vertaalde, in China, en nam zijn intrek aan !t hof van den zich keizer noemenden IJao Hsing.

In 520 volgde een andere patriarch, Boddhidarma, in !t Chin. Ta Mo geheeten, die de z.g. Dhyanisekte (Chin. „Shen”, Jap. „Zen”) stichtte, die op de Chin. en Jap. kunst zulk een ontzaglijken invloed zou uitoefenen, (zie CHIN. KUNST en JAP. KUNST). In !t begin had het Boeddh. de vijandschap te verduren van de Taoïsten, en eeuwen lang ook van de Confucianisten, maar zijn invloed werd al grooter en grooter, zoodat ten slotte keizers en keizerinnen aanhangers werden, en zelfs een keizer de geloften als monnik aflegde. Vele sinologen hebben den indruk in hun geschriften gegeven, alsof het Boeddhisme in China een ontaarde en verachte godsdienst is, die geen vat heeft op de ontwikkelde klassen en die genegeerd kan worden in ’t beschrijven van de Chineesche maatschappij.

Nu is het zeker waar, dat de Chineezen niet zulke zuivere, devote Boeddhisten zijn als b.v. de bewoners van Ceylon, en ook, dat de echte Confucianistische literatoren, waartoe ook het geheele hoogere mandarijnendom zoowat behoort, dikwijls - en vooral van de 8e eeuw af zeer vijandig tegen het Boeddhisme geageerd hebben. Maar toch is het even waar, dat een belangrijk deel van de schoonste gedachten en zelfs van de levensstandaarden in China, en een zeer belangrijk, ja het allerschoonste deel van de geheele Chineesche kunst zéér sterk getint is met Boeddhistische invloeden.

Over Chineesche kunst te spreken en ’t Boeddhisme er buiten te laten zou een even onmogelijk te maken fout zijn als over Europeesche kunst te spreken zonder !t Christendom. Het Chineesche Boeddhisme behoort bijna geheel, zoo verklaren de geleerden, tot het z.g.

„Grootere Voertuig”, het Mahāyāna. Onze meeste informatie over ’t Boeddhisme komt uit Zuidelijke bronnen, in Pāligeschriften en de geheele Ceyloneesche informatie, en die wordt geacht dichter te liggen bij de oorspronkelijke bron van Çākjamoeni. Daarom wordt Noordelijk Boeddhisme, Mahāyāna, meestal gedacht eene revolutionnaire ontaarding en corruptie daarvan te zijn. Men vergeet hierbij te veel, dat hot Boeddhisme evenals trouwens het Christendom een godsdienst (juister ware eigenlijk eene religieuze wijsbegeerte) is met evolutionair karakter, die niet hardnekkig aan oud formalisme vasthoudt, maar zich steeds aanpast, adapteert en readapteert aan de behoeften van de natuur der verschillende volken waarmede het in contact komt. Zóó paste het oorspronkelijker, Zuidelijk Boeddhisme zich aan de sterkere Noordelijke rassen van N. W. Indiëaan, en werd hij meer positief, sociaal en humaan bij de groote, practische rassen van China en Japan. Deze aanpassing is daarom echter volstrekt nog geen ontaarding. De boeddhistische filosofie paste zich aan, vermengde zich met de oorspronkelijk Chineesche Confucianisme en Taoïsme met welke laatste zij innerlijk reeds vele punten van overeenstemming had, en voegde er nieuwe elementen aan toe. Totdat, in de 12e en 13e eeuw, onder de Zuidelijke Soeng dynastie, volbracht werd, wat wel genoemd mocht worden „het grootste intellectueele feit, door de Chin. gedachte volbracht gedurende de 5000 jaar van haar bestaan”, n.l. het doen samenvloeien van Boeddhisme, Confucianisme en Taoïsme in één systeem.

Onder „Saan Kiao”, de Drie Leeren, worden deze drie in China verstaan. In Noord-China vindt men ook nog het: L a m a ï s m e. Als stichter hiervan wordt aangemerkt de Indische monnik Padmasambhawa, die op het einde der 8e eeuw in Thibet predikte. Dit Lamaïsme is een verbasterd Mahāyāna-Boeddhisme, vermengd o.a. met duivel-bannerij en wonderdoenerij. „Lama” beteekent „superieur” of „prior” van een klooster. De „Lama” priester verschilt in zoover van den gewonen boeddh. priester, dat in hem meer een tusschenpersoon wordt gezien tusschen den leek en de hoogere wereld van onzichtbare goddelijke wezens. Onder TsongKha-Pa (1357-1417), een hervormer, werd het Lamaïsme tot een zuiverder leer vervormd. Ten slotte kreeg het Lamaïsme een soort Paus, of Dalaï Lama. De eerste dezer Dalaï Lamas, zetelend te Lhassa, werd in 1650 officieel door de Chin. regeering als zoodanig erkend. Onder Psong-Kh’a-Pa werd het liturgisch karakter van dit geloof verhoogd, en werden ook de z.g. bidmolentjes ingevoerd. — M o h a m m e d a n i s m e. Mohammedanisme deed in China zijn intrede in 628 n. C. onder Wakb-Abi-Kabha,een verren oom van Mahomed, die over zee naar Kanton reisde, en vandaar naar de toenmalige hoofdstad Ch’ang Ngan.

De eerste moskee werd gebouwd in Kanton, en bestaat nog, na verscheidene restauraties. De echte afstamming der Mohammedanen in China is te vinden in een klein leger van 4000 Arabische krijgers, die in 755 door Khalief Aboe Giafar waren gezonden als hulp tegen eene rebellie. Deze soldaten namen Chineesche vrouwen, en vestigden zich in China. Vier eeuwen later, met de veroveringen van Koeblai Khan, kwamen duizenden Arabieren in China en zoo groeide de Moh. gemeente aan. De Mohammedanen zijn nu niet meer te onderscheiden van de andere Chineezen, hebben dezelfde rechten, en zijn vrij om moskeeën te bouwen zoo veel zij willen. — C h r i s t e n d o m. In 631 n. C. kwamen Nestoriaansche Christenen in China en introduceerden het Christendom onder den naam van Verlichte Leer. In 636 werd hun vergund, zich te vestigen in Ch’ang Ngan, en in 638 gaf een keizerlijk besluit dezen Nestorianen vrijheid om te prediken. Zij stichtten een klooster met 21 priesters, en gedurende een eeuw heeft dit Nestorianisme in China gebloeid. In 781 werd de beroemde Nestoriaansche tablet in Ch’ang Ngan (tegenwoordig: Si Ngan Foe) opgericht, waarop de grondbeginselen der leer werden gegraveerd, en die, na eeuwen verdwenen te zijn, in 1625 weer aan ’t licht werd gebracht.

Na een eeuw bloeitijd verdween dit Nestorianisme weer. De Christelijke missies, Roomsch-Katholiek en Protestant, zijn in elke Chin. provincie te vinden. Sedert 1860 heeft de Chin. regeering vrijheid gegeven om te prediken. Het Christendom als zoodanig heeft nooit in China vijandschap ondervonden, maar wèl de zendelingen, meestal door hun autoritair en ontactvol optreden. De politieke, maar nimmer de religieuze kant der Christelijke propaganda heeft dikwijls tot ernstige rustverstoringen en vervolgingen aan leiding gegeven. De RoomschKatholieke godsdienst wordt in China genaamd die van „den Heer des Hemels”, de Protestantsche die van Jezus. In 1907 werd het getal Katholieken onder de Chineezen op ± 1 millioen, dat der Protestanten op ± 250.000 geschat. — J o d e n d o m. De Joden kwamen in China voor de eerste maal in 1163 n. C. en openden een synagoge in K’ai Feng Foe in 1164.

In deze stad schijnen zij vreedzaam te midden der bevolking te hebben geleefd. In de 17e eeuw werd door een Jezuïeten-zendeling aldaar nog een kleine gemeente Chin. Joden aangetroffen. In 1909 vond een Europeesch reiziger te K’ai Feng Foe nog steeds leden eener kleine Joodsche gemeente, die zeer nauw aan elkaar gesloten blijven, en hun oude ritueel in alle stilte heimelijk verrichten. Verder is in China geen spoor van een meer verspreid Jodendom. Voor „Taoïsme” zie men onder LAO TSZ’.

KUNST. In China is onder alle kunsten de schilderkunst altijd het hoogst in aanzien geweest, en zij nam de plaats van de muziek in bij ons in Europa. De welopgevoede Chinees was altijd min of meer schilder, zooals bij ons een welopgevoed mensch gewoonlijk piano speelt of zingt of aan andere muzikale kunst doet. Schilderingen zien was voor een Chinees wat voor ons is het gaan naar een opera of concert. Een Chinees bekijkt een oude schildering uit de Soeng-dynastie in denzelfden geest als een echte Germaan in Bayreuth naar Wagner gaat luisteren. De Chineesche schilderkunst is eigenlijk afgeleid van de calligrafie. Calligrafie was een schoone kunst, omdat ze niet, als in ’t Westen, een enkele reproductie was van klanken, maar van ideeën. Chineesche schriftteekens, of zooals men ze gewoonlijk noemt: karakters, waren oorspronkelijk symbolisch en ideographisch, het werd zóó beschouwd, dat het daarin uitgedrukte idee iets van de schoonheid in zich had van de kleine teekening, die haar voorstelde.

De kleur is in een goede Chineesche schildering niet voldoende voor de waardebepaling, al kan zij er een zekeren glans aan geven, maar het lijnen-rythme maakt de schildering tot een kunstschepping. In den grootsten bloeitijd der Chineesche schilderkunst werden voornamelijk monochrome werken gemaakt. Raphaël Petrucci heeft de onsterfelijke verdienste gehad om de geheele Chineesche kunst te verklaren uit de Chineesche filosofie. Zijn prachtig werk „La Philosophie de la Nature dans l’Art d’Extrême Orient”is het monument daarvan. De magische visie van den kosmos, de diepste beschouwingen over de kosmische wetten en verschijnselen, vinden wij weerspiegeld in de Chineesche kunst. Een zeer grooten invloed op de C. wereldbeschouwing en dus ook de C. kunst heeft de boeddh. „Shêu’’-sekte gehad, die in 520 n. C. was gesticht door den uit Indië gekomen patriarch Boddhidarma (Ch.: „Ta Mo”). Deze sekte leerde de leer van „Dhyani”, van contemplatie en meditatie. Zij verkondigde, dat de absolute Waarheid transcendent is aan de begrippen goed en kwaad, dat de ware Boeddha zelfs buiten de begrippen kennis en onwetendheid ligt, en dat noch door woord, noch door boeken, de Waarheid ooit kan worden erkend, maar alleen door meditatieve verzinking in zichzelf en in de natuur.

Niet het handelen in de wereld, maar het geestelijke inzicht in zichzelf en in den kosmos leidt tot de erkentenis der Waarheid, zoo leerde deze secte en dus ook tot de oplossing van den eigen Geest in den universeelen Geest. De contemplatie en de meditatieve verzinking in de natuur, zooals beoefend door deze „Shên”-sekte, welker invloed onder keizer Hüan Tsoeng (713-743 n. C.) der Thang-dynastie begon, en die aan ’t einde dier dynastie en onder de latere Soengdynastie haar hoogsten bloei bereikte, is het inwezen der groote C. schilderkunst. De landschapsschilderingen dier periode ademen alle deze contemplatie van en verzinking in de kosmische principes der natuur. Deze kunst is geen impressionistische of naturalistische, maar een geestelijke, die de suggestie geeft van de geestelijke essence der natuur achter de uiterlijke verschijning. De schilder trachtte, door den uiterlijken schijn heen, de twee kosmische oerprincipes Yang en Yin (zie „Yih King” onder KING) met zijn geest te benaderen en het rythme, waarop zij zich verhielden en samenvloeiden — door de „ch’i”— in zijn schildering te doen trillen. Hoe vreemd het ook klinke, het onzichtbare, geestelijke in het kunstwerk, is van meer belang dan het zichtbare van kleur en vorm en lijn. Het is het „Niets” men denke hier aan Lao Tsz’ in zijn Tao Teh King dat de vorm voortbrengt.

Het eerste vereischte voor een schildering vóór alle andere genoemd in de beroemde „Zes Wetten van Sië Ho” (zie SIË HO) is het z.g. „ch’i yün” d. i. het Rythme van het goddelijk-kosmische geest-fluïde, dat er in moet rondgaan. De rijzing en daling der C. kunst is altijd gelijktijdig gegaan met dezelfde bewegingen in de C. beschaving. Die kunst, en ook die cultuur, maakt haar eerste, nog in ’t duister liggende stijging in het eerste gedeelte van het derde millennium vóór Christus, rijst tot haar eerste golf van kracht met de Shang-dynastie, omstreeks 1800 v. C., tot haar tweede met de Tjsou-dynastie, omstreeks 1100 v. C., zij doet haar derde en krachtiger scheppende poging met de Han-dynastie in de 2e eeuw vóór Christus, dan, na een tusschenpauze, stijgt zij langzaam en machtig tot haar hoogtepunt onder de Th’ang-dynastie in de 8e eeuw, en later weer tot een niet minder verheven glorie-periode onder de Soeng-dynastie (960-1280 n. C.), om dan weer langzamerhand te dalen. Toch is ook in de Ming-dynastie en zelfs onder de laatste dynastie der Mandsjoes (zie Hirth’s „Scraps from a Collector’s Note Book”) nog zeer goede C. schilderkunst gemaakt.

Een der alleroudste schilders, van wien kunst is overgebleven, is Koe Kh’ai Chih (4e eeuw). In ’t British Museum te Londen kan men de volmaaktheid van zijn penseel-streek bewonderen in de beroemde schildering „Admonitions to a Court Lady”. Als de allergrootste schilder van C., wiens naam in ’t geheele verre Oosten beroemd is, even als die van Rembrandt in ’t Westen, wordt door de Ch. zelf beschouwd Woe Tao Tsz’, die onder de Th’ang-dynastie leefde, ook Woe Tao Yuan genaamd. Zijn bekendste stukken zijn tusschen 720 en 750 n. C. gemaakt. Hij muntte uit in alle onderwerpen, landschappen zoowel als portretten en boeddh. onderwerpen. Vooral een schildering „Vagevuur”, een landschap „Aan de Chia Ling rivier” en „Portret van generaal P’ei”, worden door latere C. kunstcritici geroemd, ook eene schildering „Kwan Yin” en een „Câkjamoeni”, die in Nirwana opgaat. In zeldzame collecties, o.a. in Japan, zijn stukken, die aan hem toegeschreven worden, maar vermoedelijk is niets authentiek origineels van hem overgebleven. Naast Woe Tao Tsz’ wordt op één lijn genoemd Wang Wei, tevens een groot dichter, wiens kunst een romantisch-idealistisch karakter had.

In het Britsch Museum is een copie van een zijner beroemdste stukken te zien, geschilderd door Ch’ao Mêng Foe, landschappen uit de omgeving van Wang Ch’uan, waar Wang Wei woonde. Hij werd in 699 n. C. geb. Woe Tao Tsz’ (Jap. Godoshi) was in hoog aanzien bij het hof en kreeg menige keizerlijke opdracht. Ook Wang Wei klom hoog in ’t publieke leven, maar eindigde in een landhuis buiten, waar hij zich uitsluitend bezig hield met muziek, poëzie en schilderen. Beroemde schilderingen van W. W. (Jap. õ-i) waren o.a. „Sneeuw-bananas” en een „Pratyeka-Boeddha”. Zijn verzen (hij was de intieme vriend van den dichter Mêng Hao Jên) zijn even beroemd als zijn schilderingen. Bijna alle groote C. schilders warentevens groote dichters en musici.

Een ander beroemd schilder der Thang-dyn. was Han Kan, die vooral uitmuntte in het schilderen van paarden, maar ook om zijn boeddh. onderwerpen geroemd wordt. Hij was zeer gezien aan het hof in de periode van 742-756 n. C. — In de 5 korte dynastieën, die op de Thang’ volgden, muntten uit Hsü-Hsi, beroemd bloemenschilder, en Huang Ch’wan, maar de grootste bloeitijd, waarin een ongekend aantal kunstenaars leefden, was in de daaropvolgende Soeng-dynastie, die ook wat poëzie en filosofie aangaat, ongeëvenaard is. Men heeft haar wel eens de Pericles-eeuw van China genoemd. In deze periode bloeide de „Shên” kunst, die ontegenzeggelijk de grootste schilderkunst is geweest van de geheele wereld. Men zou haar de absoluut „geestelijke kunst” kunnen noemen, waarin niet de afbeelding der uiterlijke natuur, maar de suggestie van den kosmischen geest der natuur hoofdzaak was. Ma Yuan (Jap. Bayan), Hsia Koei (Jap. Kakkei) en keizer Hoei Tsoeng (Jap.

Kiso Kōtei) zijn de drie groote namen, die in geheel China en Japan den beroemdsten klank hebben. Zij zijn de meesters aan de z.g. Zuidelijke Soeng-school, die in de bergen en rotsen langs de Yang Tsz’ in afzondering als kluizenaars hun kunstwerken schilderen. Ma Yuan, in hoog aanzien bij het hof, leefde tusschen 1150 en 1224. In Petrucci’s meesterwerk vindt men een in Japan gegraveerde magnifieke reproductie van een zijner beste stukken. — Hsia Koei, eveneens hoog geeërd door den keizer, leefde van 11541224, en Hoei Tsoeng (die van 1100-1135 n. C. regeerde) stichtte de eerste keizerlijke Academie voor Calligraphie en Schilderkunst. De keizers in deze tijden waren filosofen en kunstenaars, om wie zich de grootste denkers en artiesten schaarden. Onder de groote Soengmeesters, te veel om allen op te noemen, blonken nog boven de anderen uit Li Loeng Mien (Jap. Ririumin), die zoowel in boeddh. onderwerpen als in paarden-schilderingen en bloemstukken en vogelstukken uitmuntte. Moe-Ch’i (Jap.

Mokkei) is óók een der allergrootste namen uit dien tijd. Zijn landschappen, tijgers, draken, apen, ooievaars en ganzen hebben eeuwen na hem als voorbeelden in China en Japan gediend en zijn nooit overtroffen. Ook Li Ti en Mao Ie dienen vooraan te worden genoemd. De Noordelijke Soeng-school, die haar zetel had aan de oevers van de minder romantische, ernstige Hwang Ho wordt vooral gepresenteerd door Koeo Hsi (Jap. Kwakki) enLi Ch’êng (Jap. Ri-sei).

Al deze schilders staan ook in hooge vereering in Japan en hebben den grootsten invloed uitgeoefend op de Jap. kunst. In de volgende Yuan (Mongolen)-dynastie waren het vooral Ch’ao Mêng Foe, bijgenaamd „De Apostel der Pijnboomen en Sneeuw”, geb. 1254, van wien in ’t British Museum een prachtig landschap te zien is en Yen Hoei (Jap. Gan-ki), die de traditie der groote schilderkunst hoog hielden. Hierbij moet nog genoemd worden Ch’ien Shoen Chü, van wien het beroemde „Portret van Prins Huan Yeh” klassiek geworden is, en aan de meest delicate Grieksche en Perzische kunst herinnert. Onder de Ming-dynastie, die nu volgde, was Lin Liang de grootste, die nog steeds den hoogen standaard der Soeng-tijden ophield.

In ’t Britsch Museum zijn twee zijner werken „Wild Geese and Ducks” en „Eagle” te zien. Onder deze dynastie begon echter de fijne geest meer te verflauwen en, waar onder de Soeng hevige kleur-effecten als nog te stoffelijk werden verworpen, en monochrome schilderingen, zelfs inkt-schetsen het hoogste waren, kwam nu de tijd, waarin men door uiterlijke pracht van schitterende kleur en rijk ornament meer op het oog dan op den geest werkte. In de daarop volgende Ts’ing (Mandsjoe)dynastie werd dit nog erger. Toch is het verkeerd, zoo als door Hirth terecht is gezegd, maar door Fenollosa weer wordt tegengesproken, om daarom al hetgeen in de Mandsjoe-periode is geschilderd, te verwerpen. Ook in deze periode waren er schilders als de vier Wangs, als Yün Shao Ph’ing, Woe Li en Tsiang Th’ing Si, die kunstwerken hebben gemaakt, die met de beste Europeesche uit dien tijd op één lijn staan.

S c u l p t u u r e n P l a s t i e k. Vanaf de vroegste tijden is in C. sculptuur in steen beoefend, maar het was vooral sedert de intrede van het Boeddhisme, dat scholen van sculptuur verrezen zijn. In !t begin domineerde hierin de Indische invloed, die zelf niet geheel zuiver Indisch meer was, maar waardoor Helleensche invloeden waren gegaan, vermengd met Bactrische en Perzische. Een nauwkeurige studie in Indische musea en Chin. en Jap. tempels toont duidelijk verwantschap aan der Indische en 0.aziatische kunsten van sculptuur en plastiek, en zelfs verre invloeden uit Griekenland, Bactrië en Perzië. Het is eerst in de laatste jaren, vooral door de onderzoekingen van Aurel Stein, Pelliot e a., die uit Chin. Turkestan en andere streken oude C. sculptuur en plastiek medebrachten, dat men tot de ontdekking is gekomen, hoe hoog deze kunst in China’s oudheid heeft gestaan.

Zelfs van vóór de intrede van het Boeddh. zijn thans stukken van groote kunstwaarde voor den dag gekomen. De studie dezer Ch. kunst blijkt nu geheel van voren af aan te moeten beginnen, en is nog maar in haar eerste stadium. Ook door de bemoeiïngen van Perzzynski is deze studie in de laatste jaren vooruitgekomen. De groep Lo Han’s (Arhats) uit I-Chau (Pao-Ting-Hoe), waarvan er thans een, voor een fabelachtigen prijs aangekocht, in het British Museum te zien is, en die een kunstwerk is, niet onderdoende voor het geniaalste werk van een Michel Angelo, heeft plotseling een groote sensatie verwekt, en de kolossale grandeur van Ch.’s plastiek aan Europa geopenbaard. Voor C. Porselein-kunst zie CHINEESCH PORSELEIN.

B r o n z e n. De oudste bronzen van C. dateeren van voor 3000 jaar, en hebben den vorm van ritueele vazen en vaten. De modellen hiervan worden tot op den huidigen dag gegoten.

De oudste bekende br., hoofdzakelijk uit de plundering afkomstig van het Zomer-Paleis te Peking, zijn uit de Shang en Chow-dynastieën (1766-265 v. C.). Deze oude stukken zijn van een woeste grandeur, meestal bedekt met een patina van rood, groen en bruin, en met eenvoudige motieven versierd, n.l. rollen, zigzaglijnen, en vele, die aan Grieksch herinneren.o.a. het bekende sleutelpatroon, waardoor golven, bergen en stormwolken gestyleerd gesymboliseerd worden. Een der voornaamste dieren, op oude br. voorkomend, is de z.g. „tao th’ieh”, een fabelachtig monster, de slang en de stier. In de Chowdynastie kwamen ook hert, ram en rhinoceros als ornament voor. Hoe eenvoudiger, streng statiger een brons, hoe ouder het is, de nieuwe zijn sierlijker, eleganter, maar hebben niet dat oeroude van woeste grootheid, al zijn ze veel fijner, uitvoeriger gedecoreerd, of met zilver ingelegd. De meeste Chin. br. zijn uit de Han en daaraan voorafgaande dynastieën (206 v. C.221 n. C.) of uit een Renaissancetijd, die culmineerde in de Ming-dynastie, 1000 jaar later. In de eerste dier perioden kwamen feniks, olifant, os, schildpad, en somtijds menschen als decoratie voor, in de tweede deed zich de boeddh. invloed gelden en kwamen er boeddh. motieven. In de Ming-dynastie kwam die perfecte techniek en detailafwerking, die in Europa zoo mooi wordt gevonden, maar die aan strengen stijl te kort komt. Tegen het einde der Ming-periode kwamen die, thans in den handel zijnde, ontelbare bronzen met draken, en bloemen en symbolen van geluk, vreugde en lang leven, die aan kunstwaarde missen, wat zij aan overvloed van decoratief te veel hebben.

C h i n. P o ë z i e. De oudste verzameling Chin. poëzie is te vinden in de „Shi King” (zie onder KING). Tot de beroemdste C. dichters behoort o.a.: Mêng Hao Jên (689-740). Deze, toen hij niet slaagde voor het literaire examen, trok zich terug in de bergen, en leefde als een kluizenaar.

Later kreeg hij toch een officieele post. Een zijner vrienden was Wang Wei (699-769), die tevens een der grootste schilders van C. was; en die zijn leven eindigde in een boeddh. klooster. De allerpopulairste dichter van C. is Li Tai Po (705-762), bijgenaamd de op aarde verbannen Ouderlijke, die zijn schoonste verzen schreef onder den invloed van wijn. Men schrijft zijn dood toe aan overmoedigheid, toen hij zich in een roes op een boottocht over het water boog om de reflectie van de maan te omhelzen. Naast hem geniet bijna even groote populariteit Th’oe Foe (712-770).

Al deze grootsten der C. dichters leefden onder de Th’ang-dynastie. Chin. Poëzie is in vertaling te vinden in: Judith Gauthier, Le livre de Jade (Paris-Juven), in d’Hervey de St. Denis, Poésies de l’Epoque des Th’ang (Paris 1862), en in Hans Bethge, Die Chin.

Flöte (Leipz, Insel-Verlag). Uit het laatste werk koos Mahler de motieven voor zijn symphonie „Das Lied von der Erde”.

ARCHITECTUUR. De eerste impressie van een Chineesche stad is er een van vlakheid en monotoonheid, en het overheerschen van één type architectuur. Men treft maar zelden een gebouw, dat niet is terug te brengen tot één type en formule. China, heeft in alle tijdperken der historie, en voor alle gebouwen, maar één architectonisch model gehad. Waar nieuwe invloeden binnenkwamen, b.v. die van !t Boeddhisme en Mohammedanisme, zijn die vreemde architecturen langzamerhand verchineescht geworden en zelden zuiver gebleven. Het meest algemeene model is de „th’ing”, een massief dak met opgebogen hoeken, rustende op korte pilaren of kolommen. De kromlijnige helling der dakhoeken is een overblijfsel van nomadententen, waarvan de hoeken van canvas werden opgehangen aan speren.

Van dat nomadenleven der Chineezen, duizenden jaren geleden, is niets bekend, alleen de vorm der „th’ing” is er een overblijfsel van. Het dak, de „th’ing”, is het voornaamste aanzicht van het gebouw en geeft er de hoofdkwaliteit van grandeur of van eenvoud aan, van kracht of van gratie. Om het aspect te varieeren, werd de architect er toe geleid om het te verdubbelen of verdriedubbelen. De overwegendheid van een gedeelte, dat in C. architectuur een meer ondergeschikte rol speelt, wordt gerechtvaardigd door de kleine elevatie van het plan. De architect maakt bijzonder veel werk van de decoratie van het dak door toevoeging van ornamenten, en bedekking met geglazuurde tegels, van schitterende kleur. De draken en feniksen op den kam van het dak, de groteske beesten in rijen naast elkaar op de randen en goten, de groene, gele en blauwe tegels, zijn er alle op aangebracht volgens vaste wetten, en duiden ook den rang aan van den bewoner, of wel de keizerlijke stichting van een tempel.

Het groote gewicht van het dak maakt het veelvuldige gebruik van de zuil, de kolom noodig, die een functie van ’t grootste belang heeft in een Chineesch gebouw. Die kolommen zijn meestal van hout, de schacht cylindrisch, een enkele keer polyedrisch, nooit uitgehold. Het kapiteel is slechts een soort console, vierkant aan de hoeken, of in den vorm van drakenkoppen, het piedestal is een vierkant blok steen, van boven afgerond tot een cirkelvormigen basis, waarop de schacht staat. Het meest gebruikte hout is dat van de „san moe”-boom uit de provincie Sz’ Chwan. De Chineesche architectuur, dit is de hoofdtrek er van, breidt zich uit, niet in de hoogte, maar in de breedte. De expansie is horizontaal, niet verticaal. Ware het niet, dat er gebouwen, als b.v. pagode’s in oprezen, die van vreemden oorsprong zijn, zoo zou men een lijn kunnen trekken horizontaal over een Chineesche stad op de hoogte van één huizenverdieping, die nergens zou worden onderbroken door verticalen tegenstand. De Chineesche architect schijnt een besef te hebben van de armoede zijner architectuur en tracht daarom hare eenvoudige lijn te breken door een overvloed van rijke decoratie in de fijnste détails.

De ruggen en hoeken van de zwaar neerhangende daken bedekt hij met draken-loofwerk en allerlei fantastische beesten, die gerangschikt zijn volgens een zeer ingewikkelde symbolieke beteekenis. De dakranden zijn onderlegd met rijk snijwerk, dikwijls schitterend verlakt. De muren hebben in den omtrek lijsten met terracotta reliefs en banden met figuren van bloemen en takken. Het Chineesche huizenplan kent in den regel maar ééne verdieping, en is naar de grootte horizontaal ontwikkeld. Het principe, dat het projectieplan determineert, is dat van symmetrie. De hoofdgebouwen, de vleugels, de zij-gebouwen, de paviljoens, de lanen, de hoven, zijn symmetrisch aangelegd, ook de motieven van decoratie en alle details. Alleen in sommige zomerverblijven en tuinen, die somtijds zeer grillig zijn, wordt wel eens hiervan afgeweken.

In de oude Chin. kanonnieke boeken zijn gebouwen vermeld van grooter verticale elevatie, genaamd „th’ai”, en die tot 300 voet hoog waren. Deze „th’ai” ’s waren óf bestemd tot pakhuizen van schatten, of tot torens om in een jachtpark de vorderingen der jacht gade te slaan, óf tot astronomisch observatorium. Als latere vorm van „th’ai’s” kunnen aangemerkt worden de torens op den bekenden Grooten Muur. Maar behalve deze oudere architectuur is de Chineesche er hoofdzakelijk eene die, zooals eens door een Duitsch schrijver hierover is gezegd, „aan de aarde kleeft”. Het bouwen in de hoogte, als b.v. aan de Amerikaansche „sky-scrapers”, geeft een Chin. architect den indruk van armoede aan grond. In China was de rijkdom aan grond zóó groot, dat alle expansie in de breedte kon gaan.

Het idee is algemeen verspreid, dat de „pagode”, die men zoo veel in China aantreft, een specifiek Chin. gebouw zou zijn, maar de oorsprong der pagode is in ’t geheel niet Chineesch, doch Indisch. Zij is afgeleid van en ontwikkeld uit den Indisch-Boeddhistischen „Stûpa” (zie PAGODE). Hetzelfde is het geval met de fraaie eerepoorten, genaamd „Th’ai Lou”, die men zoo vaak in China in straten en op wegen aantreft, en die, zoowel als de Japansche „tori” uit den Indischen Stûpa zijn ontwikkeld. (Zie TH’AI LOU.)

TAAL. De voornaamste karaktertrek der Chineesche taal is, dat zij éénlettergrepig is en dat die éénlettergrepen in verschillende tonen worden uitgesproken. De Chineesche taal is: 1) Eénlettergrepig, d.w.z. ieder stamwoord bestaat uit één syllabe. 2) Isoleerend, d.w.z. de stamwoorden zijn onveranderlijk, losse samenstellingen en hulpwoorden vervangen in de Chineesche taal onze middelen van woordvorming en grammatische vormen. Volgens sommige geleerden is dit niet juist. Deze beweren, n.l., dat alleen de geschreven taal éénlettergrepig is maar de gesprokene niet, omdat in die gesproken taal zooveel hulpbijwoorden en bijvoegsels zouden voorkomen om de beteekenis van een woord te bepalen, dat zij eigenlijk polysyllaben vormen. De bewijzen van dat polysyllabisch karakter acht ik nog niet voldoende geleverd.

De Chineesche taal is oorspronkelijk een taal van den Indo-Chineeschen stam, en als zoodanig verwant aan het Thibetaansch, Birmaansch, Siameesch en eene menigte andere talen van Achter-Indië, Nepal en Annam. Zij wordt behalve door de Chineezen, door de Japaneezen, Koreanen en Annamieten als literatuur-taal gebruikt. Zij reikt, wat de literatuur aangaat, tot 3000 jaar voor onze tijdrekening en is dus een der oudste levende talen, zoo niet de oudste. Er zijn geleerden geweest o.a. Prof. Max Müller in zijn „Origin of Languages” die, vooral met het oog op het éénlettergrepig karakter, de afwezigheid van tijden en wijzen, conjugatie en declinatie, welke afwezigheid zou wijzen op een lageren levensvorm, verklaard hebben dat de Chineesche taal een primitief stadium vertegenwoordigt in de evolutie der talen. Zij zagen er een taal in, gekristalliseerd als ’t ware in haar eerste stadia, en onveranderd overgeleverd.

Een feit is, dat de onveranderlijke Chineesche éénlettergrepen door niets worden aangetast; tijd noch wijze, enkelvoud noch meervoud, conjugatie noch declinatie bestaan, die ze zouden kunnen veranderen. De Chineesche taal bezit ook geen afleidende krachten. Zij kan, zooals Prof. Max Müller zoo juist zegt, b.v. niet van „ferrum”, ijzer, een nieuw substantief „ferrarius”, ijzersmid, maken, óók niet „ferraria”, ijzermijn, en daar weer van „ferrariarius”, een werker in die mijn. Deze dingen zijn mogelijk in buigzame talen, niet in de onbuigzame Chineesche. Van die éénlettergrepige stamwoorden, waaruit de Chineesche taal bestaat, zijn er maar heel weinig.

In !t Noordelijke Mandarijn-Chineesch b.v. maar ± 436, in ’t Zuidelijke Kantondialect maar ± 707. Hoe is dat mogelijk, zal men zeggen, zijn gedachten uit te drukken in maar 436 woorden ? De armoede der Chineesche stamwoorden wordt echter in zekeren zin vergoed door de verschillende tonen of modulaties — „shing” genaamd — waarop zij kunnen worden uitgesproken, of misschien ware beter gezegd: geneuried of gezongen. Elk woord behoort n.l. met eene bepaalde modulatie, die er bij behoort, te worden uitgesproken. Eene andere modulatie maakt een ander woord, eene andere beteekenis. Deze modulaties of tonen zijn in verschillende taaldialecten van China niet hetzelfde, maar ondergaan locale veranderingen, evenals de klinkers in westersche talen die ondergaan. De Chineesche taal wordt dus eigenlijk niet enkel gesproken, maar geneuried, gezonden bijna.

Het Pekingsche of Noordelijke mandarijndialect heeft vier van die „shingn of tonen, het Nankingsche of Zuidelijke Mandarijndialect vijf, het Kantondialect acht. Er worden in verschillende provincies en onderdeelen van provincies in China verschillende dialecten gesproken, die men, al zijn ze verwant, bijna talen zou kunnen noemen. Het verschil in die dialecten is n.l. zóó sterk, dat b.v. een Chinees uit Amoy volstrekt onverstaanbaar is voor een Chinees uit Kanton, dat een Chinees uit Shanghai niets verstaat van wat een Chinees uit Swatow zegt, en een Chinees uit Amoy ook niets begrijpt van wat een Chinees uit Peking tegen hem zou zeggen. Zelfs verstaat een Chinees uit Toe-Tsjou, de hoofdstad der Foekienprovincie, niet wat een Chinees uit Amoy, dat toch in diezelfde provincie ligt, spreekt. Ten Zuiden van de Yang Tsz’ rivier zijn die verschillen het sterkste, ten Noorden worden ze minder. De oudste, tevens die met de meeste „shing!! of tonen, zijn de Zuidelijke.

De groote band, die het Chineesche volk altijd bij elkaar heeft gehouden als één geheel, is de geschreven taal. Die taal, ofschoon overal verschillend uitgesproken, wordt over geheel China hetzelfde geschreven. Men krijgt hier een denkbeeld van, als men denkt om de Romeinsche cijfers, die, in de verschillende landen van Europa anders uitgesproken, toch overal hetzelfde worden geschreven. B. v. X is tien, dix, ten, zehn, enz. Is de gesproken Chineesche taal betrekkelijk arm, de geschrevene is rijker dan eenige andere taal der wereld. Zij is in den waren zin een literaire luxe, zooals geen andere taal der wereld bezit, en zij behoort dan ook aan een volk toe, dat het meest literaire ter wereld is.

De Chineesche geschreven taal kent geen alphabet. Er kunnen geen woorden gevormd worden met behulp van alphabetletters, maar ieder woord, ieder begrip heeft een apart schriftteeken, en wel een schriftteeken, dat onveranderlijk blijft, en door enkelvoud noch meervoud, declinatie noch conjugatie, tijd noch wijze wordt aangetast. Een Chineesch woord kan nú eens substantief, dan adjectief, nu eens werkwoord dàn weer bijwoord, en zelfs voornaamwoord zijn. Zóó kan b.v. ’t schriftteeken „ta” beteekenen: „groot”, „grootte”, „grootheid” en „veel”, „erg”. Het hangt van de positie in den zin af, wat het beteekenen moet. De syntaxis doet alles in den Chineeschen zin. De Chineesche schriftteekens worden gewoonlijk „karakters” genoemd. Die schriftteekens zijn, dit versta men wel, niet het alphabet van de taal, maar de substantie van de Chineesche taal zelve.

De zoo ingewikkeld lijkende Chineesche schriftteekens zijn allen eigenlijk terug te brengen tot een systeem van slechts zeven verschillende streepjes en puntjes, in allerlei combinaties en variaties. In de beroemde dictionaire van keizer Khang Hsi staan bijna 40000 verschillende karakters. Men schrikke hier niet te veel van. Als men er 3 à 4000 kent komt men al een heel eind. De Chineesche karakters zijn niet teekens als in onze Europeesche talen, die voorstellingen zijn van door klanken gevormde woorden, maar ze zijn meer symbolen van ideeën. Hun oudste karakter was symbolisch en ideografisch. Het is volstrekt niet verwonderlijk dat zulk een schrift wordt uitgevonden, want, zooals de sinoloog Wells Williams terecht zeide:

„de eerste gedachte van iemand, die een idee tracht uit te drukken, is veel waarschijnlijker om het uit te teekenen, dan om te trachten, de klanken uit te drukken waarin het wordt uitgesproken”.

De alleroudste Chineesche karakters waren hieroglyphische teekeningen en dateeren uit de Shangdynastie, ± 2000 jaar v. C. De Chineesche taal wordt eigenlijk meer geteekend dan geschreven.

De teekenkunst en schilderkunst zijn dan ook van de calligraphie afgeleid. Dat de oudste karakters teekeningen waren, wordt al aangeduid door den naam „wên” (lijnen, omtrekken van een voorwerp), die aan karakters, en ook aan literatuur, en zelfs aan beschaving in ’t algemeen wordt gegeven. Die oudste karakters waren afbeeldingen — b.v. van een zon, een maan, een boom, een kindje, een berg, enz. enz. — en symbolen, b.v. een puntje boven een streep was: boven, een puntje beneden een streep: onder, een doormidden gedeeld rondetje: midden, enz. enz. Later kwamen symbolische samenstellingen, van twee of meer afbeeldingen of symbolen naast elkaar. B.v. een mondje met een vogel er naast is: zingen; een dakje met een vrouw er onder is: rust; een vrouw met een kindje er naast is: houden van, goed, mooi; een man, leunend tegen een boom: rusten, ophouden; een mensch met een woord er naast: waarheid, oprechtheid; een boom, met een zon er in (die boven den boom opkomt): Oosten; een vogel op een nest: Westen (als de zon ondergaat). Het laatste hulpmiddel was eene vereeniging van twee deelen, waarvan het eene de begripscategorie, het andere min of meer (niet precies) den klank aanduidt, dus een combinatie van een algemeen idee en een phonetisch element.

Tot deze soort ideo-phonetische behoort het overgroote meerendeel der Chineesche karakters. Er zijn in ’t Chineesch 214 van die teekens, radicalen of klassenhoofden genaamd, die zulke begripscategorieën uitdrukken. B.v. met ’t radicaal „hart” zullen alle karakters geteekend zijn, die gemoeds- en geestesaandoeningen uitdrukken (vreugde, toorn, droefheid, melancholie, bezorgdheid, weemoed, enz.), met „water” alle karakters, die op water betrekking hebben (baden, vloeien, gieten, stroomen, besprenkelen, overstroomen, enz.), met „hand” alle, die met handen in verband staan (wijzen, grijpen, opnemen, wegnemen, neerleggen, enz.). Men kan zich hier een denkbeeld van vormen door eens te denken b.v. aan het Fransche woord „chaîne”, ketting, indien wij ons dit als een phonetisch element denken. Men zou op de Chineesche wijze dan het karakter voor: „eik (chêne)” kunnen krijgen, door een ketting (chaîne) te teekenen en daarnaast een boom. Die boom zou dan ’t radikaal zijn, de begripscategorie aangevend, die ketting zou het phonetische element zijn. Zóó zou men, door naast den ketting een hart te teekenen „gêne”, verlegenheid (heeft de klank van’t phonetische element niet precies, maar ongeveer), en zelfs door er water bij te teekenen (de rivier) Seine.

Ook in ’t Egyptisch, en in ’t Assyrisch komt het voor, dat zekere klassen van woorden een teeken er vóór of na hebben, welke ’t algemeen karakter er van aangeven. Verder dan tot dit ideo-phonetische karakter is de Chineesche taal nooit gekomen. De sprong naar een alphabetische taal, dien ten laatste zelfs de Japanners deden, is nooit gedaan. Dit ideo-phonetische was de laatste expansie, waarna de Chineesche taal onveranderlijk is stil blijven staan. En toch, zooals Prof. Max Müller er eens terecht van zeide: „iedere schaduw van gedachte, die uitdrukking vindt in 't hoog geacheveerde en schoon gebalanceerde systeem der Grieksche tijden en wijzen, kan uitgedrukt worden, en is uitgedrukt, in die taal in haar kindsheid door woorden, die noch vóórnoch achterzetsels hebben, en geen einduitgangen om getal, naamval, tijd, wijze of persoon aan te duiden”. De syntaxis, zeide ik reeds, doet in de Chineesche taal alles. In den breede heeft zij vijf groote, primordiale grondregelen, waaruit alle andere kunnen worden afgeleid.

1) In den regel staat het onderwerp vóór het gezegde, het werkwoord of het voorzetsel vóór het voorwerp.
2) Woorden, die wij door „en’! of „of” coördineeren, staan naast elkaar, meest in vaste volgorde, het vroegere, gewichtigste of betere vóóraan.
3) Het attribuut, zij het adjectief, genitief, bijwoord of telwoord, staat vooraan.
4) Is een ander zindeel als ’t grammatische onderwerp het onderwerp van den zin psychologisch onderwerp zoo treedt het uit het zinverband aan ‘t begin van den zin. Tijd en plaatsopgaven nemen gewoonlijk deze plaats in.
5) Voor de functies of betrekkingen van een woord is het onverschillig: a. Of een woord in ’t begin van een zin staat, dan wel of het wordt voorafgegaan door een absoluut staand zin-deel, een conjunctie, een bijwoord, of een tusschenwerpsel; b. Of aan het -t eind aan een zin staat, of dat het wordt gevolgd door een slot-artikel, een conjunctie, een bijwoord of een tusschenwerpsel;
6) Voor de plaatsing der zin-deelen is het in den regel onverschillig: a. Of deze uit een enkel woord dan wel uit meerdere woorden bestaan;
b. Of de zin een mededeelende, vragende uitroepende, bevelende enz., en of hij een enkelvoudige dan wel een deel van een samengestelden zin is. Ofschoon ik hierboven eenige grondregelen der Chineesche grammatiek heb aangehaald, komt men eigenlijk met de geheele grammatiek der geleerde heeren niet zoo heel veel verder om Chineesche klassieken te kunnen lezen en doorgronden. De verschillende schrijvers verschillen hiervoor veel te veel van elkaar, en het isnietzoozeer hun wijze van u i t d ru k k in g, als hun wijze van denken, die de lezer in hun werken moet trachten te naderen. Niet wat een Chineesche schrijver s c h r ij f t, zoozeer, maar wat hij denkt is de hoofdzaak. De Chinees is van zijn jeugd af gewend om ideeën te associeeren met geteekende symbolen, zooals wij Europeanen die ideeën associeeren met letter-combinaties, die woorden voorstellen. Uit al het hierboven duidelijk gemaakte zal de lezer begrijpen, dat de Chineezen niet een alphabetisch volk zijn maar een groot ras van ideographen; hun nadrukkelijke expressie vloeit naar vormen in stede van naar klanken. Hun geschreven taal is, zooals Samuel Johnson in zijn boek „China” eens terecht opmerkte, het symbool van generaliseerende en synthetische kwaliteiten van geest, zooals alphabetische talen van een analytischen geest getuigen. Nergens is de eerbied voor het geschreven woord zoo groot als in China.

Zóó als de Hebreër niet op papier wilde treden, omdat misschien de naam „Jehovah” er op geschreven kon zijn, zóó is voor den Chinees elk geschreven woord heilig. Een geletterde Chinees zal een geschreven vod papier oprapen en in een der urnen deponeeren, die daarvoor in de straten aanwezig zijn. Op deze urnen staat meest geschreven: „Hebt eerbied voor beschreven papier.” Evenals de Noorsche runen dat waren, zijn vele Chineesche karakters — b.v. die voor geluk, lang leven, en anderen — heilig, en de schriftteekens worden „de oogen van den Wijze” genoemd. Een goed kenner van China heeft eens gezegd: „China is één groot open boek”. Bijna alles wordt met karakters bedrukt. Muren, deuren en pilaren dragen gelukaanbrengende motto’s en spreuken. Aan de muren der huizen hangen rollen in kakemonovorm, in paren, met correspondeerende spreuken of wijze woorden er op, in sierlijk getrokken karakters. Rotsen zelfs, vooral bij tempels, zijn er mede beschreven.

Mantels en gewaden worden niet alleen gedragen, maar ook gelezen, geornamenteerd als zij zijn met karakters. Op een huisdeur van literatoren ziet men vaak geschreven zinnen als de volgende: „Moge ik zoo geleerd worden dat ik 10.000 boekdeelen in mijn gedachten heb.” Veelvuldig las ik in China boven een deurpost de schoone woorden: „Door de literatuur wordt een volk groot”. In Peking zijn alle boeken der Chineesche klassieken in steenen tafelen van massief graniet gegrift, in de „Hal der Klassieken”. Waaiers, kopjes, borden, schotels, op al deze dingen worden meestal spreuken of klassieke teksten of verzen geteekend. Het dragen van sommige karakters op het lijf b.v. het karakter „shau”: eeuwigdurend, lang leven heeft het karakter van het dragen van een amulet. Voorwerpen om mede te schrijven zijn in China volmaakt tot in de perfectie. Typografie werd voor ruim 1500 jaar in China uitgevonden; er bestaan uitgebreide, oude werken over het maken van inkt, en folio’s verhandelingen over de structuur en het stijlvol trekken der karakters.

Door de uitvinding van het drukken en van goed materiaal om druk te verspreiden, overtrof China verre Rome, dat nog gebonden was aan het gebruik der palimpsesten, waardoor veel is verloren moeten gaan.

GESCHIEDENIS. De Chineezen, die oorspronkelijk langs de Ju-meunpassage van het Tarimbekken uit Noord-C. bezetten, breidden hun kultuur en hun rijk van de lössprovincies Kansoe, Sjensi en Sjansi uit. De mythen spreken van de Keizers Foehi, die het huwelijk instelde, Sjennoeng, die den landbouw en Hwangti, die de zijdeteelt invoerde. Reeds zeer vroeg heerschte een zeer hoogstaande kultuur. De eigenlijke geschiedenis begint met de koningen („Wan”) Jaoe (2357-2286 v. C.) en Sjoen (2258 2205 v. C.); uit den tijd van den eerste bestaat nog een aardrijkskundige beschrijving der provinciën van het toenmalige Rijk; het omvatte toen Noord-China en de Centrale vlakte. Gedurende de Hia(2205 1766 v. C.) en de Sjangdynastieën (1766-1122 v. C.) was Ch. een goed geadministreerd leenrijk, van welks geschiedenis men weinig weet. Koning Woe, de stichter van de Tsjoudynastie (1122-249 v. Chr.) gaf aan het leenstelsel een soort van patriarchaal karakter. Vooral de Vle eeuw v. C. was een tijd van grooten bloei voor de litteratuur en philosophie; zoowel de stelsels van Koeng-Foetse, als van Laotse ontstonden toen.

Tegen de aanvallen der Noordelijke Nomaden werd door Tsjaoe (306-250) een begin gemaakt met het bouwen van den Grooten Muur. De Tsjoudynastie werd ten val gebracht door Tsjing (249-209), een geweldig heerscher, die een eind maakte aan het leenstelsel en de absolute monarchie vestigde. Hij nam den titel van Keizer (Hoangti) aan en den naam Sjihoangti; veroverde bijna geheel Zuid-C. en voltooide den Grooten Muur. Om geheel met het verleden te breken, liet hij alle bestaande boeken verbranden. Een grooten tijd van bloei en machtsontwikkeling beleefde Ch. onder de Handynastie (206 vóór tot 221 na C.); vooral met het oog op de groote handelswegen, hen. en bez. den Tiensjan, den Peloe en den Nanloe, werden het Tarimbekken en Dzoengarije veroverd en het Rijk zelfs uitgebreid tot aan de Kaspische Zee, waar het bijna grensde aan het Romeinsche Rijk, waarmee een belangrijk handelsverkeer ontstond. De talrijke opgravingen in den laatsten tijd bewijzen, hoe hoog de Ch. kultuur toen stond en ook den bevruchtenden invloed, dien de Westersch-hellenistische beschaving op de Chineesche gehad heeft. In de eerste eeuw vóór C. drong het Boeddhisme in C. door, in 65 v. C. verklaarde Keizer Mingti het tot Staatsgodsdienst. Dan volgt een tijd van verval.

Onder den laatsten Hankeizer, Hienti, valt C. in drie rijken uit elkaar, die in 280 door Woeti, den stichter der Tsindynastie (265-420) weer hereenigd werden. MiddenAzië was echter weer verloren gegaan, ofschoon eenige relatie met het Tarimbekken steeds bleef bestaan. In 386 veroverden de „Toba” (Turken?), een eigen rijk in Noord-C. Tot 589 bleef C. in twee Rijken verdeeld, tot Kantsoe, stichter der Soeidynastie (589-618) beide weer tot één vereenigde. Een tweede bloeiperiode volgde onder de Thangdynastie (618-907). Midden-Azië werd weer heroverd, kunst (vooral schilderkunst en litteratuur) en wetenschap bereikten een hoogen trap, de handel bloeide. Het Nestoriaansche Christendom en de Islam drongen in het W. binnen. 907-960, de WoeToe, of de tijd der vijf geslachten, was een periode van groote verwarring.

Het leger koos Tsjaoloeangjiu (eerste der Soeng-dyn., 9601280) tot Keizer. De Toengoezen stichtten echter een afzonderlijk rijk in het N., waardoor China weer in twee Rijken, een Noordelijk en een Zuidelijk, verviel. Keizer Ningtsjoeng (1195-1225) riep de hulp in van den MongolenKeizer Dsjengis-Khan; diens kleinzoon Khoebilai maakte zich van geheel C. meester, en stichtte de Juandynastie (1280 1368). Onder dit geslacht was er een derde bloeitijd. Wegen en kanalen werden aangelegd; handel en scheepvaart bloeiden; daar Khoebilai tevens groot-Khan der Mongolen was, stond toen het geheele door de Dsjengiskhaniden geregeerde Azië, met Rusland er bij, onder Chineesche opperhoogheid. Junnan werd veroverd.

Peking werd residentiestad. De Mongoolsche dynastie werd door een opstand ten val gebracht. Tsjoejuantsjang (Hoengwoe) werd keizer en stichter der Mingdynastie (1368-1644). In de XVI en XVII eeuw begon de zeehandel met Europa, vooral met de Portugeezen (die zich in Macao nederzetten), de Spanjaarden en de Nederlandsche O. I. C. Intusschen vormde zich ten N. van C. het Mandsjoerijk. Toen in 1618 een opstand in C. uitbrak, riep men tegen de Ming’s de Mandsjoe’s te hulp. Deze maakten zich toen van den troon meester en hun koning Sjoentsji (1644-’62) stichtte de Ts’ingdynastie (1644-1912). Nu volgde de vierde bloeiperiode, vooral onder Khanghi (1662-1722); de Jezuïeten hadden grooten invloed en brachten o. a. het Rijk in kaart. Mongolië werd onderworpen en Tibet kwam onder Ch. protectoraat.

Ook de wetenschap (sterrenkunde, taalkennis) werd ijverig beoefend. Onder de opvolgers van Khanghi, Joengtsjeung (1722-35) en Khienloeng(1735-1796) werden ook Oost-Turkestan en Dsoengarije weer onderworpen. De laatste was echter een vijand van het Christendom: de Jezuïeten werden verjaagd en de Christenen vervolgd. Onder Kiakhing (1796-1820) en Suuntsjoeng (Tao-kwang, 1820 50) begon weer een tijd van verval en tevens van Chineesche samenzweringen tegen de Mandsjoedynastie. Toen om het toenemend misbruik van opium de keizer den invoer van dit product uit Engelsch-Indië verbood, barstte met Engeland de zg. „opium-oorlog” uit (1840-42), waardoor Honkong een Engelsche bezitting werd en de eerste tractaathaven voor den Europeeschen handel werd opengesteld.

Onder de regeeringen der nu volgende keizers Weuntsoeng (1850-1861) en Tsai-tsjoen (1861’75) de laatste onder regentschap van zijn oom prins Koeng) maakte C. een geweldige crisis door: in het beneden Jangtsegebied brak de Taipingopstand uit, die gedeeltelijk een oeconomisch (socialistisch), gedeeltelijk een religieus karakter had en ook een Chineesche reactie was tegen de Mandsjoeoverheersching. Het hoofd ervan noemde zich Tienwang (Hemelkoning) en gaf zich voor een jongeren broeder van den Christus uit; maar zijn krijgsdaden waren een aaneenschakeling van moorden en plunderingen. In 1853 nam hij Nanking in. Van uit het Jangtzegebied werden (mislukte)

krijgstochten naar Noord-China ondernomen.

Van de verlegenheid der regeering, maakte Oost-Turkestan gebruik om zich onafhankelijk te maken (1856) en ontstond hier tijdelijk een onafhankelijk rijk onder Jacoebbeg.

Ook het overige Midden-Aziatische deel van het Chineesche rijk werd geteisterd door een opstand der Mohammedaansche Chineezen (Doenganen), die in 1862 in Sjensi begon en ook Kansoe verwoestte; Junnan maakte zich eveneens onafhankelijk onder een Mohammedaanschen keizer (1857). Daarbij kwam nog een oorlog met Frankrijk en Engeland (1856-60), waarbij Tientsin en Peking werden ingenomen en een met Rusland (1860), die aan C. het Amoergebied kostte. Na het sluiten van den vrede hielpen de Europeesche mogendheden echter de Ch. regeering tegen de Taiping, die ook hun handelsbelangen bedreigden. Nadat Gordon in 1864 Nanking had ingenomen, werd de opstand onderdrukt. Na de onderwerping der Tai-ping werd ook met energie opgetreden tegen de opstandelingen van het W. Het rijk der Panthai in Junnan werd in 1872 weer heroverd; aan den Doenganenoorlog, die ook veel bloed gekost en ruïnen achtergelaten had, werd in 1877 een eind gemaakt en na den dood van Jacoebbeg (1878)

werd ook het Tarimbekken weer onderworpen, In 1882 werd Koeldzja, dat door de Russen bezet was, weer aan China teruggegeven.

Dsoengarije en het Tarimbekken werden nu als nieuwe provincie, Sinkiang, bij het eigenlijke C. rijk gevoegd. Van 1882-85 was C. in staat van oorlog met Frankrijk om Tonkin. De regent Koeng trachtte op beteren voet met de Westersche machten te komen, verschillende handelsverdragen waren hiervan het gevolg;

telegraaflijnen en in 1876 ook de eerste spoorweg (Sjanghai Woesoeng) werden aangelegd.

Intusschen was keizer Tsaitsoen in 1875 overleden. Hij werd opgevolgd door zijn zoon TjaiShien (Kwansoe, 1875-1908). Gedurende diens minderjarigheid en ook later had de keizerinweduwe Tsoehsi den meesten invloed. Ofschoon tegen vreemde inmenging gekant, kon zij toch den toenemenden invloed der Westerlingen niet keeren. Dit, en vooral het dikwijls onoordeelkundig optreden der zendelingen, verbitterde het C. volk, zoodat telkens volksbewegingen en moorden op Christenen en zendelingen plaats hadden. Hier bemoeiden zich dan weer de vreemde mogendheden mee, die er van gebruik maakten om steeds nieuwe voordeelen te bedingen, wat natuurlijk weer den vreemdelingenhaat deed toenemen en tevens de ontevredenheid tegen de Mandsjoedynastie deed vermeerderen. Een ongelukkige oorlog met Japan (1894-’95) kostte China Formosa en de souvereiniteit over Korea: Liaotong wisten de Europeesche mogendheden voor China te redden, maar Ch. moest daarvoor weer nieuwe voordeelen toestaan. Ze verkregen b.v. de zg. pachtstations op de Ch. kust.

Zoo kreeg Duitschland Kiaotsjou in Sjantong (1897), (naar aanleiding van een moord op zendelingen), Rusland Zuid-Liaotong met Port-Arthur (1898), Frankrijk Kwantsjou in Zuid-China en Engeland Weihaiwei. Ook wist men allerhande economische concessies te verkrijgen. Toen de keizer neiging toonde, meer „Westersche” toestanden in te voeren, nam de keizerinweduwe het bewind weer in handen (1898). Nu werd met meer energie tegen de vreemdelingen opgetreden. Met oogluikende goedkeuring der regeering werd in 1899 door een der geheime genootschappen, de Tatsjoean of Boksers, een antivreemdelingenbeweging op touw gezet, die zich weldra over geheel NoordChina verbreidde.

De gezantschappen werden in Peking belegerd, waarop een internationale aanval volgde. Een eerste aanval onder den Engelschen admiraal Seymour werd teruggeslagen. Nadat een Japansche diplomaat en de Duitsche gezant von Ketteler in Peking vermoord waren, volgde een tweede, grootere expeditie onder den Duitschen Maarschalk von Waldersee, die Peking binnentrok en de gezantschappen ontzette. Ook elders hadden vijandelijkheden plaats, zoowel in Mandsjoerije, als in Zuid-C. De vrede werd in 1901 gesloten, volgens welken C. schadeloosstellingen (gedurende 30 jaar), elk jaar 15 mill. tael, zou betalen, schuldigen gestraft zouden moeten worden en een gezantschap in Berlijn leed moest betuigen voor den gezantenmoord.

Rusland werd zoo goed als geheel meester van Mandsjoerije, waar het later weer door Japan werd uitgedrongen. Keizerin Tsoehsi overleed in 1908, en denzelfden nacht „toevallig” ook de keizer, die opgevolgd werd door zijn tweejarig neefje Poeji (1908-1912). Intusschen hadden al deze nederlagen en vernederingen een sterke verbittering doen ontstaan tegen de Mandsjoedynastie en ook de oude tegenstelling tusschen Noord- en Zuid-C. kwam weer boven. In 1910 brak een geweldige opstand uit in het Z., die eerst onder leiding stond van Chineezen, die in Amerika en elders republikeinsche denkbeelden hadden opgedaan. Vooral werd zwaar gevochten in de buurt van Hankou, welke stad gedeeltelijk in vlammen opging. Het hof riep nu de hulp in van den vroeger in ongenade gevallen staatsman Juansjikai. Wel werd het opstandelingenleger verslagen, doch tegenover de algemeene ontevredenheid zag Juan geen kans de dynastie te redden. Men liet den kleinen keizer abdiceeren (Febr. 1912) en Juansjikai werd president der Republiek; een constitutie werd afgekondigd.

Sedert is Ch. aan een groote verwarring ten prooi.

Mongolië maakte zich onder welwillende medewerking van Rusland onafhankelijk. Toen het parlement, waar veel uiterst radikale elementen in zaten, in 1913 samenkwam, begon direct een conflict met den president; door middel van een staatsgreep werd de oppositiepartij verwijderd en in 1914 het rompparlement ontbonden. Nu probeerde Juansjikai de monarchie te herstellen en nam, gesteund door een sterke monarchale partij, den titel van Keizer aan. Toen dit echter aanleiding gaf tot nog meer verwarring en nieuwe opstanden, waarbij verschillende Zuidelijke provincies zich onafhankelijk verklaarden, en Japan van de gelegenheid gebruik maakte om belangrijke politieke en economische voordeelen te behalen, trok Juan zijn besluit in. Kort daarop overleed hij (1916). Zijn opvolger als president is Lijuanhoeng. Een tweede poging, in 1917, om de monarchie te herstellen en Keizer Poeji weer op den troon te plaatsen, mislukte eveneens.

Litteratuur: Pauthier, La Chine; Pauthier et Bazin, Chine moderne, description historique, géographique, et litteraire (2 dln.. Par. 1837 63); Douglas, China (2e dr. Lond. 1900); Tcheng Kie Tong, China und die Chinesen (2e dr. Dresden 1896); Beresford, The Breek Of of C. (Lond. 1899); Hesse Hartegg, C. und Japan (Lpz. 2e dr. 1900); O. Reclus, l’Empire du Miluu (Par. 1902); Henri Borel, Het Daghet in den Oosten (A’dam 1910), De Geest van China (A’dam 1916); Williams, The Middle Kingdom (Lond. en New-York 1900); Hirth, Chinesische Studiën (Münch. 1890); Prof. J.

J. M. de Groot, The Religious System of China (Leiden 1897 e. v.); Smith, Chin. Characteristics (2e dr. London 1891); Giles, C. and the Chinese (Lond. 1902); Parker, C. Past and Present (id. 1903); Prof. Legge, The Chinese Classics (London 1861 e. v.); Mrs. Archibald Little, Intimate C. (id. 1899); Matignon, Superstition crime et misère en C. (Par. 1899); Henri Borel, De Chin.

Filosofie toegelicht voor nietsinologen I Confucius, II Lao Tsz’. (2e dr. A’dam 1905); v. Brandt, Drei Jahre Ost-Asiatisches Politik (Stuttgart 1894-97); 33 Jahre in OstAsien (Leipzig 1901); v. Richthofen geomor-, phologische Studien aus Ost-Asien, Berlin 19001903; T. v. Richthofen, China (Berlin 1877-85), Tiessen, China (Berlin 1912); Parker, C. Her History, Diplomacy and Commerce (Lond. 1901); Hirth, Ancient History of China(New-York 1908); Douglas, Society in China (Lond. 1895); Doolittle, Social Life of the Chinese (2 dl. New-York 1867); Bard, Les Chinois chez eux (Par. 1900); Dyer Ball, Things Chinese (Shanghai 1903); Chen Huan Chang, The economic principles of Confucius and his School (New-York 1911); Bland and Blockhouse, China under the EmpressDowager (Lond. 1910); Williams, A history of C. (Lond. 1897); Mac-Gowan, A history of Ch. (from the earliest times down to the present, Lond. 1897); Maillac, Histoire Générale de la Ch. (Par. 1877-85); Güttzlaff, Geschichte des C. Reichs (Stuttg. 1897); Won-Ching. The C. crisis from within (Lond. 1901); Allen, The Siege of the Peking Legations (id. 1901); Courant, En C. Moeurs et Institutions, Hommes et Faits (Par. 1901); Maybon, La Vie Secrète de la Cour de Chine (Par. 1910); Giles, Chin.

Biographical Dictionary (Lond. 1897); Douglas, Confucianism and Taoism (London 1879); Beal, Buddhism in C. (Lond. 1884); Rockhill, Inquiry inso the Population of C. (Washington 1904);

Cecil, Changing C. (Lond. 1910); Mayers, Chinese Readers Maxual (Lond. 1874); Ku Hung Ming, C.’s Verteidigung gegen Europäische Ideen (Jena 1911); Buber, Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse (Leipz. 1910); Johnson, Oriental Religions China (Boston 1877); — Standaarddictionaires zijn: Wells Williams, A Syllabic Dictionary of the C. language (Shanghai 1889) en Giles, A Chin. English Dictionary (Leiden, 2e dr. 1910). Voor het in Ned. Indië gespr. Tsiang Tsioe-dialect het woordenboek van Prof.

G. Schlegel (Leiden 1888 e. v.). Het „Journal of the China Branch of the Royal Asiatic Society” geeft alle mogelijke artikelen over land en volk van C. Aan te bevelen ook het te Leiden verschijnend tijdschrift „T’oung Pao”. Werken over C. kunst: Giles, Introduction to the History of C. Pictorial Art (1905); Hirth, Scraps from a Collectors Note Book (Leiden 1905); Bushell, C. Art (Lond. 1906); Okakura, Ideals of the East (id. 1903); Prof. Fenollosa, Epochs of C. and Jap. Art (London 1912); Pétrucci, La Philosophie de la Nature dans l’Art d’Extrême Orient (Par. 1911); Glaser, Die Kunst Ost-Asiens (Leipz. 1912); Tijdschriften: Ost-Asiatische Kunst (Bert); The Kokka (Japan).