Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 10-01-2019

Lao tsz’

betekenis & definitie

Lao tsz’ - Van het leven van dezen wijsgeer, die ontegenzeggelijk de diepzinnigste van China’s oudheid is, grooter nog dan Confucius, is maar zeer weinig bekend. De eenige historische bijzonderheden omtrent zijn leven beslaan maar enkele bladzijden in de annalen van China’s grootschen geschiedschrijver Sz’ Ma Ts’ién. Deze geschiedschrijver vermeldt dat Lao Tsz’ geboren werd — in 604 v. C. — in het gehucht Khio Jin, district Kh’oe, van het rijk Ch’u (spr. uit Tsjh’oe).

Dit rijk Ch’u bestond als feudale staat van de Chow-dynastie, en bevatte gedeelten van de tegenwoordige provincies Honow en Kiansgoe. Zijn familienaam was Li, zijn bijnaam Rh’, zijn titelnaam Teh Yang en zijn posthume naam Tan. De naam Lao Tsz’, letterlijk het Oude Kind, werd hem later door een legende gegeven, die aan zijn geboorte is toegeschreven, als zou hij als kind reeds met een baard, als grijsaard geboren zijn, maar hierbij moet niet vergeten worden, dat het Chineesche karakter Tsz’ niet alleen kind, maar ook wijsgeer beteekent, zoodat Lao Tsz’ evengoed zou kunnen beteekenen: de Oude Wijsgeer.

De omstandigheid dat het karakter Tsz’ zoowel kind als wijsgeer beteekent, kan hieraan worden toegeschreven, dat de wijsgeer geacht werd opnieuw geboren te worden, als kind dus, in het geestelijke leven. De jonge Li Teh Yang, zooals Lao Tsz’ in het gewone leven heette, moet iemand van buitengewone bekwaamheid zijn geweest, aangezien hij de betrekking bekleedde van bewaarder der historische archieven en historiograaf aan het keizerlijke hof van Chow, dat toen zetelde in Lo-Yang, niet ver van de tegenwoordige provinciehoofdstad Ho-Nan-Foe.

Er waren in ’t geheel 7 dergelijke historiografen. Het is zoo goed als zeker hoewel niet bewezen, dat de jonge Li in die archieven zeer veel boeken vond van oude wijsheid uit verschillende landen, vermoedelijk ook Indië. Toen hij de decadentie van het huis Chow zag, deed hij niet als Confucius zijn best om door vermaningen en uitspraken van zedeleer den ondergang te keeren, maar legde hij zijn betrekking neder, en verdween, zooals Sz’ Ma Ts’ien aangeeft, naar het Westen, naar een bergpas op de grens, Han Koeh. De grenswachter van die plaats, Ie Hie, zeide tot hem: „Nu gij U in de eenzaamheid gaat terugtrekken, moet gij absoluut een boek maken om mij tot leering te zijn.” Toen schreef Lao Tsz’ een werk in twee deelen, dat later Tao Teh King is genoemd, en ongeveer 5000 karakters bevatte. Daarna ging hij heen, zooals latere schrijvers dat noemden, „in de verborgenheid”, en van zijn verdere leven is niets bekend.— Zijn voornaamste discipelen, die echter lang na hem leefden, maar die zijn leer ontwikkelden en illustreerden, zijn Chuang Tsz’ en Ljeh 'Tsz” die in de 4e eeuw v. C., en Hwai Nan Tsz’, die in de 2e eeuw v. C. leefden. Na zijn dood waren het vooral keizer Koe Ti (140—86 v. C.)

en de keizers van de Th’ang-dynastie (618—913 n. C.), die eer bewezen aan zijn nagedachtenis, zoo zelfs, dat die een goddelijk karakter begon aan te nemen. In 666 n. C. werd hij door keizer Kao Tsoeng heilig verklaard, onder den titel „Groote Suprême Geest, Keizerlijke God van de Mystieke Eerste Oorzaak”. In 743 n. C.

werd deze titel nog vergroot door keizer Hüan Tsoeng, en in 1013 n. C. werd bij keizerlijk besluit een titel „Th’ai Siang Lao Koen’, Groote Suprême Oude Koninklijke” hier nog bijgevoegd. Al deze bizonderheden doen China’s diepzinnigsten wijsgeer echter niet zoo goed kennen als zijn werk Tao Teh King dat vooral in de laatste jaren in Europa hoe langer hoe meer de aandacht begint te trekken, als een der meest verheven filosofischreligieuze werken van het gansche Oosten, van even groote, onschatbare waarde als b.v. de Bhagavad Gitâ of de Upanishads. Heden ten dage bestaan nog z.g. esoterische scholen in China, waarin de oorspronkelijke leer van Lao Tsz’ volkomen zuiver bewaard is, en het onderwerp is van de meest serieuze meditatieve bespiegelingen.