Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 15-11-2018

Chineesch Porselein

betekenis & definitie

Chineesch Porselein. - Porselein is een term, die algemeen wordt gebruikt om alle soorten keramiek aan te duiden, waaraan een begin van verglazing is gegeven door het in het vuur te verhitten. Dit doorschijnende aardewerk wordt in twee hoofd-klassen verdeeld :

1) Harde pâte” (Eng. „paste”), die enkel de natuurlijke elementen bevat in de compositie van het lichaam zelf en het glazuur;
2) zachte „pâte”, waarvan het lichaam een kunstmatige combinatie is van verschillende materialen, samengevoegd door de actie van het vuur, waarin het samenvoegende element, glas-specie genaamd, gebruikt is als een substituut voor natuurlijken rotssteen. Nooit is in China zulke zachte „pâte” gebruikt; alle „pâte” in China is van harde variëteiten. Het lichaam van dit porselein bestaat essentieel uit twee elementen, de witte kleiaarde of „kaolin”, het vettige, onsmeltbare element, dat plasticiteit geeft aan de „pâte”, en de veldspaatsteen, of „petoentse”, die bij hooge temperatuur smeltbaar is en het porselein doorschijnend maakt. De naam porselein is vermoedelijk afkomstig van het Portugeesche woord „porcellana”, varkentje. Toen porselein voor het eerst in Europa bekend werd, was het eenige, waarmede men het kon vergelijken de gepolijste oppervlakte van de caurie-schelp of „porcellanna”, zoo genoemd omdat het gebogen bovenste oppervlak op den ronden rug van een varkentje geleek. „Porselein” werd stellig in China uitgevonden. Dit wordt als ’t ware reeds erkend door de adoptie in de Engelsche taal van het woord „China” als een equivalent er voor. „Kaolin” is de naam van een plaats bij King Teh Chin, waar de beste kleiaarde voor porselein wordt uitgegraven, en „petoentse”, letterlijk: „witte briketten” duidt op den vorm, waarin de fijn gepulveriseerde porselein-steen naar de fabrieken wordt gebracht, nadat het eerst de begin-processen van stampen en afgieten had ondergaan. In de actueele fabricage worden nog eenige andere grondstoffen, zooals kwarts in poedervorm en gekristalliseerde zandvormen, gebruikt, en aan de twee bovengenoemde ingrediënten toegevoegd om porselein te vervaardigen, dat zeer varieert in compositie. Een speciale „paté”, gemaakt van „hwang toen” of „gele brikken”, afkomstig van een zeer taaien, compacten rotssteen, in groote watermolens gegruisd, wordt voor grover porselein gebruikt.

Het glazuur of „yioe” van ’t Chin. porselein wordt gemaakt van den zelfden veldspaathrotssteen, die voor het lichaam zelf wordt gebruikt. De beste stukken „petoentse” worden bewaard voor het glazuur, uitgekozen om hun uniformen, groenachtigen kleur-toon, vooral als het dooraderd is met dendrieten (boomsteenen), gelijkende op bladen aan de „arbor vitae”. Dit wordt gemengd met kalk, geprepareerd door herhaalde verbrandingen met grijzen kalksteen, opgehoopt in leggers, afwisselend van varenkruiden en hakhout. De actie van de kalk is om de smeltbaarheid van den veldspaatsteen te verhoogen. De fijnste „petoentse” genaamd „yioe kwo” of „glazuur-essence”, en de gepurifieerde kalk „lien hoei” apart door toevoeging van water gemaakt in „purées” van dezelfde dikte, worden later in verschillende proporties gemengd om een vloeibaar glazuur te verkrijgen. Dit glazuur wordt tenslotte op het ruwe lichaam van het porselein gelegd met het penseel, door indompeling, of door het er op te blazen. De verhouding van de „petoentse” tot de liquide kalk bepaalt de kwaliteit van het porselein, die van tien op één de fijnste soort, die van 7 a 8 op 3 a 2 de middelsoort, en gelijke porties, of die met de kalk overheerschend, de grovere soorten. Het glazuur van Chin. porcelein bevat altijd kalklijm.

Hoewel het vaststaat, dat porselein het eerst in China gemaakt werd, verschillen de meeningen der deskundigen over den datum der uitvinding. De Chineezen plaatsen die uitvinding onder de Handynastie (206 v. C.-25 n. C.), toen een nieuw schriftteeken „tz’ŭ.” werd gemaakt om porselein aan te duiden als verschillend van „t’ao”, aardewerk. Tang Ying, de beroemde superintendent der keizerlijke porselein-bakkerijen, in 1728 aangesteld, constateert, dat porselein het eerst werd gemaakt gedurende de Handynastie in Ch’ang Ngan (King-Tê-Chên) in het district Foe Liang. De Japansche kunst-criticus Kakasoe Okakoera, in zijn „Ideals of the East” bevestigt deze verklaring. In de daaropvolgende Weidynastie (221-264) hooren we reeds van, een geglazuurd céladon, in Lo Yang gemaakt, en in de Tsin-dynastie (265-2419) wordt voor ’t eerst melding gemaakt van blauw porselein, in de provincie Cheh-Kiang, te Wen-Chou, den voorlooper van de hemelsblauwe met cobalt getinte glazuren, die later zoo beroemd werden. In de Soeidynastie (681-617) hooren we van groen porselein, uitgevonden om groen glas te remplaceeren, waarvan de compositie, sedert het uit N.-Indië ingevoerd was, verloren was geraakt. Later werden porselein-bakkerijen in de provincie Kiang Si bekend.

In ’t begin der regeering van den stichter der Th’angdynastie werd door een uitvinder, T’ao Yü, een hoeveelheid porselein naar de hoofdstad in Shensi gebracht en aan den keizer aangeboden, als „imitatie jaspis”. — De eerste porseleinen werden alzoo gemaakt als substituten, imitaties van glas en jaspis, en ook van andere edele steenen, en waren alle monochroom. Het ideaal van den Chin. porceleinbakker is altijd geweest om wit jaspis na te bootsen, een wit porselein, dat met het schoonste glanzend nephriet kon wedijveren in zuiverheid van kleur. Transparantheid en glans was altijd het voorwerp zijner stoutste droomen, terwijl het, evenals jaspis, wel met een kwartskristal, maar niet door de punt van een stalen mes kon gekrast worden. In de 8e en 9e eeuw was er een bloeiende handel tusschen Arabië en China, toen Mohammedaansche kolonies zich nederzetten in Canton en andere havensteden. Een Arabische reiziger, Soleiman, schreef een reisbeschrijving, die later in ’t Fransch vertaald is, en waarin hij van Chin. porselein schreef: „Men heeft in China een zeer fijne klei, waarmede de Chineezen vazen maken, die zoo transparant zijn als glas; men kan water er doorheen zien. Deze vazen zijn van klei gemaakt.” Onder keizer Shih Tsoeng (964-959) van de posterieure Chowdynastie, werd op keizerlijk voorschrift een porscleinsoort vervaardigd, die moest beantwoorden aan de volgende eischen:

„Zoo blauw als de hemel, zoo helder als een spiegel, zoo dim als papier, en zoo resonneerend als een muzikale jaspis-steen”. Dit porselein schijnt werkelijk te zijn gemaakt, maar werd weldra zóó zeldzaam, dat het later als een droombeeld beschouwd werd. Vermoedelijk zijn er òf in ’t geheel geen òf al zéér zeldzame specimina van deze alleroudste porseleinsoorten over, zoodat men er enkel de literaire overleveringen nog van bezit. Dat in de Handynastie voor ’t eerst porselein gemaakt werd, wordt echter algemeen als vaststaande aangenomen. Behalve sommige celadonsoorten, die ouder zijn, komt geen porselein meer voor, dat ouder is dan de Mingdynastie (1368-1644), en het overgroote deel der in collecties en in den kunsthandel voorkomende porseleinen zijn niet ouder dan de regeering van keizer Khang Hsi (1661-1722) van de Mandsjoedynastie. Al hetgeen bekend is omtrent de fabricage van porselein in China is ontleend aan de belangrijke geschiedenis der porseleinfabrieken in King-Tê-Chên, geschreven in 1815 door een plaatselijken magistraat, die daarvoor allerlei oude documenten raadpleegde, en die vertaald en van commentaar is voorzien door Stanislas Julien. In 1640, toen zij Macao ontnamen aan de Portugeezen, werden de Hollanders de voornaamste importeurs van Chin. porselein in Europa, later gevolgd door de Engelsche East India Company. — In den kunsthandel en bij collectioneurs, die leeken zijn op sinologisch gebied, wordt gewoonlijk volstaan met eene indeeling van Chin, porselein in z.g. „families”, als „familie verte”, familie rosé”, enz., Maar een correcte classificatie behoort aan drie vereischten te voldoen. Vooreerst behoort zij chronologisch te zijn, ten tweede moeten de specimina worden gegroepeerd onder de hoofden der localiteiten, in welke zij vervaardigd zijn, en ten derde moet iedere groep zoo noodig onderverdeeld worden volgens de fabriek, de techniek en den stijl van decoratie der stukken, waaruit zij bestaat.

De klassificeering van Grandidier, chronologisch volgens een Chineesch model, is eenvoudig en parabisch. Zij is als volgt:

Chronologische Classificatie.

I. Primitieve Periode, óók omvattende de Soengdynastie (960-1279) en de Yoeandynastie (1280-1367); II. Ming-Periode, de geheele Ming-dynastie omvattende (1368-1643);

III. Khang-Hsiperiode, van den val der Mingdynastie tot het einde der regeering van Khang-Hsi (1644-1722);

IV. Yoeng Tsjêng en Kh’ien Loengperiode (1723-1795), alzoo deze beide regeeringen te samen;

V. Moderne Periode, van het begin der regeering van Kia Kh’ing (1796-1821) tot aan dezen tijd. Deze zeer practische classificatie van Grandidier wordt gewoonlijk aangevuld gebruikt met die van Sir A. W. Franks, n.l. de volgende, die veel uitgebreider is uitgewerkt.

Chineesch Porselein.

Klasse I. Niet beschilderd.

Sectie A. Eenvoudig Wit. Sectie B. Enkelvoudig gekleurde glazuren, niet gebarsten (craquelé). Sectie C. Gebarsten (craquelé) glazuren Sectie D. Flambé glazuren. Sectie E. Soufflé glazuren. F. Glazuren van verschillende kleuren.

Klasse II. Beschilderd in kleuren.

Sectie A. In kleuren onder het glazuur. 1. Kobaltblauw;

2. Koperrood; 3. Celadon; 4. Verschillende kleuren gecombineerd. Sectie B. In kleuren over het glazuur. 1. IJzer-rood; 2. Sepia; 3. Goud. 4; Twee of meer kleuren. Sectie C. Kleuren onder en kleuren over ’t glazuur gecombineerd. Sectie D. Enkel gekleurde gronden gedecorierd in kleuren. 1. In witte penseeling (over blauw en bruin); 2. In goud (over blauw, zwart en rood); 3. In gemengde geëmailleerde kleuren op gecraqueleerde of monochrome gronden; 4. In medaillons van verschillenden vorm.

Klasse III. Speciale Fabricaties. Sectie A. Geëtste modellen en on gelegde teekeningen.

B. Open of netvormig werk. C. Open werk ingevuld met glazuur („rijst-korrels”). D. Imitaties van andere materialen — agaat, marmer en andere steenen, gepatineerd brons, geaderd hout, uitgesneden cinnaber lak, enz. E. Lak burgautée.

Klasse IV. Buitenlandsche Teekeningen. Sectie A. Enkel wit. Sectie B. In blauw geschilderd. Sectie C. Geschilderd in geëmailleerde kleuren. Sectie D. Gedecoreerd in Europa.

De porseleinen van de Soengdynastie vallen geheel onder de Klasse I van deze tabel en zijn algemeen bedekt met glazuur van één kleur, hetzij van uniformen, hetzij van bonten tint, met glad dan wel met gecraqueleerd oppervlak.

Onder de monochrome glazuren zijn witte in verschillende variëteiten van toon, grijsachtige, blauwachtige of purperachtige tinten, groen van af bleek zee-groen çéladon tot diepe olijfkleur, helder rood, bruin van licht, „chamois” tot donkerder tinten, en donker purper. Zeer gezocht en merkwaardig zijn het bleeke purper, dikwijls met rood bespat; de schitterende grasgroenen, die door de Chineezen „ts’oeng lü” d. i. „nieuw groen” worden genoemd; de „Yué pai” of „clair de lune” kleur van een bleek grijs-blauw, en het diepe „aubergine” purper, of „chieh tzü” van het Chûn-Chou fabrikaat, dat ook beroemd is om de schittering der z.g. „Yau pjen”, d. i. de „transmutatie” van bonte tinten, ook wel iriseering genoemd, en die veroorzaakt wordt door de varieerende graden van oxydatie van de kopersilicaten in het glazuur. Polychrome decoratie in deze periode, die echter zeldzaam is, valt onder Klasse I, Sectie F, en bestaat uit glazuren van diverse kleuren opgelegd „sur biscuit”. Geschilderde decoratie werd wel gebruikt in deze periode, maar zeer zelden. Kobalt-blauw werd in de 10e eeuw door Arabieren in China gebracht en werd vermoedelijk het eerst aangewend in het prepareeren van gekleurde glazuren, daar niets bekend is van schilderen in blauw onder het glazuur vóór de Yoeandynastie (1278-1369).

De eerste „blauw en wit” Chin. porseleinen dateeren van de 16e eeuw, toen het proces van het schilderen in kobalt op het ruwe lichaam van het porselein, vermoedelijk uit Perzië, werd overgebracht, waar het toegepast werd op tegels en andere faiënce-artikelen. Porselein was in Perzië onbekend vóór het uit China geïmporteerd werd. Onder de Soengdynastie waren er veel porselein-fabrieken in China, maar de vier voornaamste keramische producten worden door Chin. deskundigen gerangschikt onder: Joe, Kwan, Ko en Ting, en dan, daarna in volgorde, de (çeladon-producten van Loeng-Ch’üan en de „flambé” faïence van Chün-Chou. Het „Joe” porselein werd gemaakt in Joe-Chou, in de provincie Ho-Nan. Het beste ervan was het blauwe, gelijkend op de azuurtinten van de bloesems der „hemelblauwe"bloem”, den heester Vitex incisa en den roem evenarend van het porselein der posterieure Chow-dynastie onder Shih Tsoeng (964-959). Het glazuur, glad of craquelé, werd gewoonlijk zóó dik opgelegd, dat het afvloeide als gesmolten spek en beneden eindigde in een onregelmatig gebogen lijn vóór het op den bodem kwam. Het „Kwan” porselein was het „keizerlijke porselein” der Soengdynastie, of, juister het „officieele” of „ambtelijke” porselein, daar „Kwan” beteekent: ambtenaar, mandarijn.

De glazuren van het Kwan porselein waren rijk en olie-achtig, meestal gecraqueleerd, en gedrenkt met verschillende monochrome tinten, waaraan „Jué pai” ,„clair-de-]une” de gezochtste was, en daarop volgend „fên ts’ing” of bleek-purper, „ta lü”, lett.: groot, groen d. i. smaragd-groen, en „hoei sê” of grijs. Later, onder de Yoeandynastie, is dit Kwan-porselein der Soengdynastie nagemaakt, en veel stukken uit Chineesche collecties zijn den ook „Kwan” uit de Yoean periode. Dit fabricaat is echter grover en van inferieurder techniek. Het „Ko” porselein der Soeng was het oude „craquelé”, product van een pottenbakker, genaamd Tsjang de Oudere, geboortig uit Lioe Thjen, in de 12e eeuw n. C. Het oude Ko porselein onderscheidde zich vooral door het „craquelé”, en zag er uit of het gebroken was in honderd stukken („pos oei”). De voornaamste kleuren waren „fên ts’ing” of bleek purper (door mangaanhoudend cobalt) en „mi-sê” of gierstgekleurd, een helder geel (uit antimonium); althans zóó was het oorspronkelijke, oude Koporselein. Dit porselein werd zeer gezocht in Bornéo en andere eilanden van den O.-I.

Archipel, tot aan Ceram toe, en veel stukken uit collecties komen uit die streken. Later is de naam Ko ook gegeven aan alle soorten porselein, bedekt met gecraqueleerde monochrome glazuren in alle schaduwtonen van çeladon, grijs en wit. „Ting” porselein werd gemaakt in Ting Chou, in de provincie Cheh Li. De voornaamste kleur ervan was wit, maar ééne variëteit donker roodachtig bruin en een andere, zeer zeldzame, zwart als zwart lak. Het wit werd in twee soorten onderscheiden: het Pai Ting of Peh Ting, d. i. wit Ting, ook wel Fên Ting genaamd, omdat het zoo wit als meel is, en het „Th’oe Ting”, van een geel-achtigen, kleiachtigen tint. Dit porselein is zeer delicaat, en als ’t wordt aangeslagen zeer welluidend resoneerend, en heeft een zacht, vloeiend glazuur, van ivoorachtig wit. Het „Loeng Ch’üan” porselein is het wereldberoemde „çeladon”, dat het eerste in de provincie Cheh Kiang werd gemaakt, en waarvan het groene, het „ts’ing tzü” het geliefdste was.

Het oude „Loeug Ch’üan” van de Soeng-dynastie had een helderen gras-groenen tint, door de Chineezen vergeleken met sprieten van uien, een meer geprononceerde kleur dan het grijsachtige groen of „zee-groen” der latere çeladons. Later werd „çeladon” genoemd alle porselein met enkelkleurige („single-coloured”) glazuren, en bekend als „zelf” of „heel” kleurige stukken, waaraan de distinctieve karaktertrek was, dat het gekleurde glazuur op de „pâte” werd gelegd en zóó, gelijk met de pâte, werd blootgesteld aan de uiterste hitte van het eerste bakken. Door dit proces veranderde het glazuur dikwijls van kleur, en zóó kreeg men de varieerende tinten, die de Franschen „flambé” en de Engelschen „splashed” noemen. Het woord çeladon wordt in twee beteekenissen gebruikt, ten eerste als een algemeene term waar de substantie van ?t voorwerp verborgen is voor het oog door het glazuur, waarmede het is bedekt, en ten tweede voor al de trappen van groene porseleinen, die zoo heeten en daarop is de interpretatie van de beteekenis van ’t woord „çeladon” nog al eens moeilijk. Oorspronkelijk was çeladon de uitkomst van een poging om den geliefkoostden edelsteen jaspis, nephriet, in alle nuances van kleur, na te maken: van ’t donkerste groen tot melkwit. Jacquemart heeft er van gezegd: „Naarmate wij langzamerhand de moderne tijden naderen, verliezen de craquelés en çeladons hun sombere aspect, tengevolge van de transformatie van de „pâte”, die witter wordt”.

Hieronder volgen de namen,waarmede sommige der kleuren van çeladons gewoonlijk worden aangeduid: Çeladon, Zeegroen, Erwtgroen (Pea green), Appelgroen, Cameliagroen, Turkoois (in diverse tinten), Koningsblauw, Mazarinblauw, Middernacht-Hemel, Ossen-Bloed (Sang de Boeuf), Muilezels-Bloed, Duiven-Bloed (PigeonBlood), Leverkleur, Koraal, Tomaat, Robijn, Rosé (Pisck), Lila, Lavender, Clair de Lune, Perzikbloesem, Geslagen Aardbezie, Purper, Bruinen Metaalglans en Metaalroest, Café au Lait, Theekleur, Limoen-Geel, Keizerlijk BleekGeel, Mosterd-Geel, Stroo-Kleur, Orange, Wit Lood, Grijzen. Vele çeladons varieeren zóó in tinten en schaduwen, dat het moeilijk uit te maken is, tot welke soort zij behooren.

Het Chün-porcelein was een soort faïence, gemaakt in Chün Chou (nu Yü Chou) in de provincie Ho-Nan. De glazuren waren merkwaardig om hun schittering en velerlei kleurvariëteiten, vooral de „iriseerende” of transmutatie „flambés” van flikkerend rood, door iedere schaduw heengaande van purper tot bleek blauw, die later nauwelijks geëvenaard konden worden.

Een laatste hier te noemen porselein uit de Soengdynastie is het Kien (spr. uit: Kjen)porselein, uit de Foehkien (Hokkjen)-provincie, waar toen zwart geëmailleerde bekers met uitgespreide zijden werden gemaakt, zoo hoog gewaardeerd voor de theeceremoniën in die tijden. Het glanzende zwart dier bekers was gespikkeld met zilverachtig wit, dat de kleur imiteerde van een haas of de borst van een grijze patrijs, vandaar de naam „hazenbekers” of „patrijzenbekers” dien connaisseurs er aan geven. Het latere Kien You of Kien Porselein, dat onder de Mingdynastie in Tê-Hwa (Tik Hoa) in dezelfde provincie werd gefabriceerd, is het fluweelachtige, witte porselein, bekend als „blanc de Chine” en is een geheel ander dan het Kien Yau, dat onder de Soengdynastie werd gemaakt.

Thans volgt het porselein der Mingdynastie (1368-1643). Deze dynastie is beroemd bij verzamelaars van Chin. keramiek. Het bekende Chin. gezegde, dat er onder de Ming-dyn. niets was, dat niet van porselein kon worden gemaakt, duidt hier reeds op. De stichter dezer dynastie, Hoeng-Woe, liet de keizerlijke fabriek te KingTê-Chên, in de provincie Kiang-Si, in 1369 weder opbouwen, en van dien tijd af werd de porseleinfabricatie van China geconcentreerd in die plaats, steeds onder patronaat van de keizers. Al de oude, beroemde glazuren zijn hier achtereenvolgens uitgevonden, en ook moderne methoden van decoratie. Alle andere fabrieken hebben steeds grover waar geleverd, behalve die te Të-Hwa (Tik Hoa) in de provincie FoehKien (Hok-Kjen). Deze fabriek, onder de Ming.dyn. opgericht, werkt nog altijd door, en haar speciale product is het „pai tz’ü” of „blanc de Chine”. De „pâte” hiervan is van een crèmewitte tint, soms als het „Pai Ting” op ivoor gelijkend, terwijl het rijke, dikke glazuur, schijnig van toon, bijna één van glans lijkt met de „pâte” daar onder.

Onder de Mingdyn. was deze fabriek beroemd om haar beelden van Boeddhistischen aard, b.v. dat van KwanYin (Avalokitesvara), van Ta-Mo (Boddhidarma), den stichter der Shên-Sekte, van Maitreya, en ook van Taoïstische godheden als b.v. Kwan Ti, van Li Th’ieh Kwaai, enz. enz. Doch ook thans nog, ten huidigen dage, worden dergelijke Boeddhistische beelden te TêHwa vervaardigd, en men kan gerust zeggen, dat het overgroote deel der Kwan-Yin beelden in „blanc de Chine”, die thans in kunsthandels als authentiek antiek verkocht worden, moderne imitaties zijn, die thans te Tê-Hwa worden gefabriceerd. Onder de Ming-dyn. begon de decoratie „in 5 kleuren”, de zg. „Woe-Ts’ai”. De oudste stukken van deze soort hebben waarschijnlijk een preliminaire verhitting ondergaan, terwijl het ruwe lichaam van ’t porselein in relief was bewerkt met aanduidende randen en schilden van cloisons en dan later gebakken werden tot den staat van „biscuit”, en ingevuld met gekleurde glazuren, de zg. glazuren van het „demi-grand feu”, omdat zij op een betrekkelijk lage temperatuur verhit werden. Het beroemde turkoois en aubergine-purper-porselein van de Kh’ang Hsi-periode heeft vermoedelijk in dit Ming-fabricaat zijn oorsprong. Dit is het fijnste procédé geweest, daarna komt de gewone klasse polychrome decoratie waarbij het porselein, wit geglazuurd, achtereenvolgens gekleurd werd in emailkleuren, en door een tweede verhitting in den bakoven wordt gefixeerd.

Kobaltblauw als kleur onder het glazuur werd onder deze dynastie doorloopend in de decoratie gebruikt, zoowel enkel als in combinatie met andere kleuren.

In de „blauw en wit”-geschiedenis van het Chin. porselein zijn drie periodes te onderscheiden:

1. De regeering van Süan Tê (1426 1435), om een bleek-grijsblauw, genaamd „Mohammedaansch blauw gepenseeld onder ’t gewone glazuur;
2. De regeering van Kia Tsing (1522 1566), om een donker blauw van vollen toon en bijzonderen glans, en 3. De regeeringen van Loeng Ts’ing en van Wan Li (1567 1619) om een langzaam verbeterde techniek, die de glorie van de latere Khiang Hsiperiode voorbereidde, vooral ook in ’t gebruik van kobalt. Beroemd zijn bij Chin. verzamelaars de zg. „Wan Li Woe Ts’ai”, de „Vijf kleuren van Wan Li”, waarbij de emailkleuren werden gebruikt om, als fond, het blauw meer relief te geven. De Mingdynastie begon in 1368, maar niet voor de regeering van keizerin Elisabeth van Engeland (1558 1603) zijn stukken in Europa getraçeerd, die uit deze periode dateeren. Peter de Groote’s gezant, schreef in 1692 uit China: „Het beste porselein wordt niet geëxporteerd, althans zeer zeldzaam.” Er is geen twijfel aan aldus zegt W. G. Gulland terecht in zijn „Chinese Porcelain” dat gedurende de Kh’ang Hsi en latere perioden, zeer mooie reproducties van wat hier en in China als Mingstijl bekend is, werden gemaakt, en er is alle reden om te gelooven, dat de datummerken ten minste kunnen worden opgevat als een of andere gids van wat de Chineezen beschouwden als de decoratie van zulke stukken te zijn in die gegevēen periode, ofschoon men er niet op mag vertrouwen als bewijs van den ouderdom van het stuk zelf. De meeste zoogenaamde „Ming”-stukken, in kunsthandels als zoodanig aangeprezen, zijn dan ook imitaties van echt Ming, gemaakt in de Kh-ang Hsi en latere periodes, hoewel zij geïmiteerde Mingmerken dragen. Met de troonsbestijging van de Ts’ing of Mandsjoedynastie komen wij in de periodes van de geschiedenis van Chineesch porcelein, waaruit verreweg het grootste deel der stukken in collecties afstammen en die dan ook bloeiperiodes geweest zijn.

Allereerst die van keizer Kh’ang Hsi. De schitterende renaissance der porselein kunst in deze periode openbaart zich in alle klassen en secties, zoowel in de enkel-kleurige („single colour”) glazuren, in de geschilderde decoraties van het „Grand feu” van de als edelsteenen zoo fonkelende emails van den smeltoven en haar vele combinaties, en in de onvergelijkelijke „blauw en wit” variëteiten. Beroemd waren, onder den onderkoning der beide provincies Kiang Si en Kiang-Ngan, Lang Ling Ts’o geheeten, twee glazuren, uit koper-silicaten getrokken, nl. het zeldzame „appelgroen-porselein” of groene Lang Yao en het nog beroemder „Ossenbloed” of „sang de boeuf” of robijn-roode Lang Yao; beiden naar onderkoning Lang genaamd. Het „sang de boeuf” robijn-roode porselein werd expres vervaardigd voor porselein, gebruikt in den offerdienst in den tempel van de Zon, waar alles rood in moest zijn, en eigenlijk was het een herleving van het zg. „offeringsrood” onder den Mingkeizer Süan Tê. Het echte, oude „sang de boeuf” van de Kh’ang Hsi-periode heeft een geelachtig-roode bloedkleur, dat hier en daar als gestold is. Thans wordt die naam echter ook gegeven aan een robijnrood, dat, in stede van gestold, volmaakt helder is, en meer op wijn gelijkt dan op bloed, maar eigenlijk is dit robijnrood niet het echte „sang de boeuf”.

De schitterende variëteiten van groen, die predomineerden in emails van de geschilderde decoraties onder Kh’ang Hsi, gaven aanleiding tot de benaming „familie verte”, die speciaal tot deze periode behoort. Zooals reeds hierboven gezegd, was deze periode er eigenlijk een van bijna alle soorten porselein behalve „amille rosé” , vooral ook van blauw en wit. Ook zg. „powder-blue” of „bleu fouetté” is hieronder beroemd, verder het „rouge de fer”, het koraalrood, en allerlei nuances van ijzer-peroxyde, dat op halve hitte verhit in ’t zg. „demigrand feu” alle tonen opleverde van bruin, van chocoladekleur of in „feuille morte”-tinten tot aan „oud goud” toe. Bekend is hieronder ook de „drie-kleurige” (San-ts’ai”)-decoratie op „biscuit”, nl. bruinachtig purper, groen en geel email. Het turkoois blauw of „pauwenblauw”is in deze periode een zelfgekleurd glazuur van betooverenden toon, ook gecraqueleerd.

Andere bekende kleuren uit deze periode zijn: „haricot-rood”, „peau de pêche” en „fraise écrasée”, en een nieuw zwart, genaamd „liang hei”, door verzamelaars „raven-vleugel” genaamd, om een purperachtigen weerschijn op het zwart. Het „Mazarinblauw” is ook uit deze periode beroemd, alsmede het „PowderBlue” en het donkerder-diepere „Bleu Royal”, of Koningsblauw, meestal met goud gedecoreerd.

Sommige der schitterendste monochromen van deze periode zijn eenvoudige grondverven van een der emailkleuren, gebruikt in de polychrome decoraties, zooals het groen der „famille verte” dat een intense schaduw van kleur vertoont, flonkerend met prismatische wazen, bekend als „shö p’i lü” of „slangenhuidgroen”. Thans komen de periodes van Yoeng Tchêng en zijn zoon Kh’ien (spr. uit Khjen) Loeng, ook wel (in ’t Pekingsch) geschreven Ch’ien Loeng (samen 1723-1795), die beide ongeveer gelijk zijn, wat de porselein-productie aangaat. De schitterende groene kleuren, die predomineerden onder de Kh’ang Hsiperiode en de benaming „familie verte” deden ontstaan, werden in deze twee periodes veel bleeker van toon, en werden verdrongen door een rozenrood van karmozijn- en vleeschkleurige tinten, afgeleid van goud, vandaar de naam „familie rosé”, die aan deze porseleinen worden gegeven. De „familie rosé”, die uitsluitend tot deze twee periodes en nooit tot de Kh’angHsi-periode behoort, is tegenwoordig het meeste gezocht in Europa. Echte Chineesche „connaisseurs” zijn geen zoo vurige bewonderaars van „famille rose” noch van „familie verte”, maar hebben de grootste vereering voor oude stukken in „enkele kleuren” („single colours”), niet voor de polychrome, rijk gedecoreerde. Vanaf Kh’ien Loeng’s dood worden alle porseleinsoorten gerangschikt onder:

„Moderne Periode” nl. die tot op den huidigen dag.

Vanaf 1796 begon eene decadence in de Chin. porseleinkunst, hoewel er nog enkele porseleinsoorten bv. onder de regeering van Tao Kwang (18211851) waren, die de oude van vroeger bijna evenaarden. Er bestaat geen twijfel aan, dat China al zeer vroeg porselein exporteerde. In 1280 zag Marco Polo, de bekende reiziger, in China porselein maken, en sporen van vroegen porseleinhandel worden gevonden in Indië, Perzië, Egypte, den Maleischen archipel en Zanzibar. De omvang dezer fabriek, of liever fabrieken, te King-Të-Chên, was enorm. Lord Macartney, een Engelsche gezant (1792-1797), zag in King-Të-Chên 3000 porseleinovens, en Gutzlaff, die in 1837 schreef, verhaalt dat „500 ovens, steeds doorbrandende, geven ’s nachts een vlammengloed, die de omringende streek, een meer van vuur doet gelijken”.

Opgemerkt dient nog te worden, dat verschillende soorten decoraties, als b.v. die met zg. „lange lijzen” (slanke, groote vrouwenfiguren) en „zotjes” (spelende dikke kinderen), die in Europa zoo gewild zijn, in China volstrekt niet zoo bijzonder hoog in aanzien staan. Ten slotte nog eenige verklaringen van termen, betrekking hebbende op porseleinen: „Pâte” (lett.: deegbeslag) is het porseleinen voorwerp zooals het de handen van den pottenbakker verlaat vóór gebakken te worden. „Biscuit” is de „pâte” als zij gebakken, maar nog niet geglazuurd is. „Glazuur” is de compositie, die op de „pâte” of het „biscuit” wordt gelegd om het een glasachtigen schijn te geven. Dit kan eenvoudig of veel gekleurd zijn. „Slip” is een witte porselein-compositie, als decoratie gebruikt op gekleurd fond. „Email” is de kleur als zij wordt opgelegd, vermengd met glazuur.

Literatuur: „La Céramique Chinoise” par E. Grandidier, Paris 1894, Firmin Didot et Cie. „Histoire de la Fabrication de Porcelaine Chinoise” traduit du chinois par Stanislas Julien, Paris 1856. „Bethnal Green Museum Catalogue of Oriental Porcelain” by Sir A. W. Franks, 2de Ed. London 1878. „History of the Ceramic Art” by A. Jacquemart, translated from the French, 2de Ed. London 1877. Sampson Low, Marston en Co. Ltd. „Burlington Fine Arts Club Catalogue” Blue and White oriental Porcelain, by Cosmo Monkhouse and Richard Mills. London 1895.

The Comittee. „Chinese Porcelain” by W. G. Gulland, 2de Ed. London Chapman en Hall 1902. „Chinese Art” by Stephen W. Bushell, London 1904. Wijman en Sons. Ltd. Hobson. Chin. Porcelain (London 1916).