Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Geest

betekenis & definitie

Geest - 1) (Gr. nūs, pneuma; Lat. spiritus), is een term, die in velerlei zin gebruikt wordt. De tegenstelling kan zijn: de stof, het menschelijk lichaam, de Natuur, het fysische, de zinnelijkheid, het hart of gemoed, de ziel. Aristoteles beschouwde de ziel (psyche) als het algemeene levensprincipe, zich ook bij de dieren openbarend in zinnelijk gewaarworden, voelen en begeeren, den geest (nūs) daarentegen als het, alleen bij den mensch en hoogere wezens voorkomend, principe der intelligentie, zich openbarend in het denkend kennen en redelijk handelen.

Bij Plotinus is de „geest” de eerste uitstraling uit het Oer-Eene, de godheid; de door den geest plaatsvindende tweede uitstraling is de „ziel”. De gnostici nemen in de menschheid drie trappen aan: de stofmenschen, hylici, de ziele-menschen, psychici, en de zuivere geestes-menschen, pneumatici. In de latere metafysika (na Descartes) werd de geest, in tegenstelling tot de materie (de ruimtelijk-uitgebreide, stoffelijke substantie) gedacht als een niet-uitgebreide, immaterieele, denkende en willende substantie.

2) Wijbrand de, geb. te Leeuwarden 1590 of 1592; aldaar gest. 1659; zoon van den Antwerpschen schilder Symon de Geest. Leerling van Abraham Bloemaert te Utrecht (1613), bezocht België en Frankrijk en werkte vier jaren te Rome. In de „Bent” had hij den bijnaam van den „Frieschen Adelaar”. Hij trouwde met Hendrikje Uylenburgh, en werd door dit huwelijk Rembrandts zwager. Waarschijnlijk heeft Wijbrand eenigen tijd te Amsterdam gewoond, maar meestal was hij te Leeuwarden, waar hij hofschilder van den Frieschen stadhouder werd.

Voortreffelijk portretschilder, in zijn genreportretten soms herinnerend aan Paulus Moreelse, maar meestal is zijn schilderwijze en vooral de manier, waarop hij zijn sujetten plaatst, nuchterder, zijn manier van belijnen en invullen met kleur strakker, primitiever zou men willen zeggen. Schilderijen te Amsterdam, Berlijn, Den Haag en Rijssel. Litt. Wurzbach, Niederl. Künstler-lexikon.

3) gronden, de oude zandplaten van den schoorwal (zie DUINEN) of afgevlakte binnenduinen. Ze liggen achter het duinlandschap en onderscheiden zich van dit heuvelachtige terrein door hun meer vlakke ligging. De naam geest, (gaast, gast) beteekent oorspronkelijk onvruchtbare, dorre grond, in tegenstelling met klei of veengrond (Gaasterland; Grootegast). In N.W.-Duitschland beteekent geest eveneens zandgrond maar wordt nog onderscheiden van heiden, die onvruchtbaar zijn. In Holland is de geest alluviaal, in Friesland, Groningen en N.W.-Duitschland diluviaal. Door het afzanden van duinen werden de oorspronkelijke geestgronden uitgebreid. Het afgegraven zand werd wel op veen gebracht, waardoor een bodem ontstond, ten minste als de grondwaterstand er gunstig is, die uiterst geschikt is voor tuinbouw.

Omgekeerd oefent het afgezande gebied veel invloed uit op den grondwaterstand der daaraan grenzende weilanden en tevens op dien in de duinen. Zelfs vreezen enkelen voor een totalen ondergang van deze, doordat ze, droger geworden, gaan stuiven, terwijl ze tevens veel smaller worden en daardoor hun beteekenis als zeewering zullen verliezen. De geestgronden en de binnenduinen zijn de vroegst bewoonde gedeelten van Holland. Daar verrezen tal van adellijke kasteelen (Brederode, Vogelenzang, Teylingen), abdijen (Egmond, Rijnsburg). Het landschap heeft overal een parkachtig voorkomen. Wat het gebruik van den bodem betreft, kunnen we verschillende gebieden onderscheiden:

1) de geestgronden ten N. van Alkmaar worden bijna geheel voor veehouderij gebruikt. Hiertoe behooren de polders Koegras, Callantsoog en de Zype. Tot voor eenige jaren bracht de grond er, vooral in droge zomers, zeer weinig op. Dit is veranderd sedert men is begonnen kunstmest te gebruiken en in den zomer den waterstand tracht te verhoogen door opmaling. Thans worden op dezelfde boerderijen 3 a 4 maal zooveel melkkoeien gehouden als vroeger, terwijl ook de kwaliteit van het vee is verbeterd. Het geheele gebied omvat 13.841 H.A. grasland, 1286 H.A. bouwland en 209 H.A. tuingrond. 36,5% van den bodem is in gebruik bij eigenaars.
2) De Zuidelijke geestgronden van N.-Holland. Ook deze geestgr. worden voor verreweg het grootste deel als grasland gebruikt. Behalve de cultuur van aardappelen en wat rogge is de akkerbouw er onbeteekenend. Een aanzienlijke, steeds toenemende oppervlakte wordt gebruikt voor tuinbouw, ’t Grasland beslaat 9673 H.A.; het bouwland 1813 H.A. (⅗ beteeld met aardappelen), 2120 H.A. is tuingrond. Het grootste deel ervan (± 1400 H.A.) is. bloembollengrond. Verder is hier een vrij belangrijke teelt van warmoezerijgewassen; vooral bekend is de cultuur van aardbeien in de omgeving van Beverwijk. In totaal is ± 33% in eigen exploitatie, bij de tuinbouwbedrijven 40½%, bij de landbouwbedrijven 31%.
3) De Zuid-Hollandsehe bollen- en weidestreek bestaat ook voor ’t grootste deel uit g., alleen bij den Ouden-Rijn gedeeltelijk uit rivierklei. Dit gebied wordt wel het meest gekarakteriseerd door de omvangrijke teelt van bloembollen. De teelt ervan breidde zich tot 1917 voortdurend uit ten koste van het grasland. De landbouw vormt hier een overgang tot de groenten- en bollenteelt. De groenteteelt van Katwijk en Rijnsburg (vroege aardappelen en kool) is niet onbelangrijk. Ook op de bloembollenvelden worden als voor- en nateelt belangrijke hoeveelheden groenten geteeld.

Het bouwland besloeg in 1912 1143 H.A., het grasland 6946 H.A., de tuingrond 3363 H.A. (daarvan ± 3000 H.A. bloembollenland). Het vee, dat er gehouden wordt, is hoofdzakelijk Groningsch vee. De melk wordt tot boter en Leidsche kaas verwerkt, voor zoover ze niet naar de steden wordt verkocht. Vetweiderij is van geen belang. De bedrijven van 1-5 H.A. en van 5-10 H.A. nemen een aanzienlijke oppervlakte in; van de gecultiveerde oppervlakte is ruim 41% in gebruik bij den eigenaar, bij den tuinbouw 59%, bij de veehouderij slechts 33,5%.

4) Het Westland, ook gedeeltelijk uit klei bestaande. Van de oppervlakte is 1811 H.A. bouwland, 6913 H.A. grasland en 3089 H.A. tuingrond. Hoewel slechts ruim ⅓ van de gecultiveerde oppervlakte voor den tuinbouw in gebruik is, is dit toch verreweg het belangrijkste bedrijf: naast ± 550 zelfstandige landbouwbedrijven bestaan er ± 1200 tuinbouwbedrijven! De tuingrond breidt zich ten koste van het bouw- en grasland nog voortdurend uit en wordt steeds intensiever. De bevolking is op de dorpen voor een groot percentage R.K. Merkwaardig is, dat de kweekers meerendeels, de arbeiders op de bollenvelden zoo goed als alle R.K. zijn, terwijl de exporteurs, die in den regel zoowel kweeken als naar het buitenland verzenden, meerendeels Protestant zijn. De dichtheid van bevolking is, behalve in het N. groot. Verscheiden dorpen hebben een zeer druk vreemdelingenverkeer, ook van stedelingen, die er ’s zomers, of het geheele jaar, wonen. Het zijn dan ook drukke pension-plaatsen.