Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Integriteit

betekenis & definitie

De term integriteit, ontleend aan het Latijn, betekent letterlijk ‘heelheid’ (vergelijk ‘integreren’, ‘integratie’). De term is, zowel etymologisch als inhoudelijk, verwant aan ‘intactheid’ (afgeleid van 'tangere’, ‘aanraken’; vergelijk Kemp 2000). In de ethiek heeft integriteit uiteenlopende betekenissen. Wat ze gemeen hebben, is dat integriteit de normatieve tegenhanger is vanfeitelijke kwetsbaarheid of corrumpeerbaarheid. Het betreffende subject of object is de jure integer, de fado kwetsbaar of manipuleerbaar. Zo wordt de term dikwijls gebruikt wanneer, bijvoorbeeld ten gevolge van technologische innovaties, een feitelijke barrière is weggevallen. De term wordt dan ingezet om de feitelijke barrière door een normatieve barrière te vervangen. Deze bijdrage zal in de eerste plaats onderscheid maken tussen ‘subjectintegriteit’ en ‘objectintegriteit’. Vervolgens wordt de betekenis van deze termen voor een aantal deelgebieden van de (toegepaste) ethiek nader gespecificeerd, waarbij de betekenis van integriteit in de context van de medische ethiek de meeste aandacht krijgt.

Objectintegriteit en subjectintegriteit
In de medische ethiek heeft ‘objectintegriteit’ primair betrekking op de integriteit van het (kwetsbare) menselijke lichaam. Integriteit is in deze context synoniem aan (morele of juridische) ‘onaantastbaarheid’ (vergelijk artikel elf van de Grondwet). ‘Subjectintegriteit’ daarentegen heeft in de medische ethiek primair betrekking op de vertrouwelijkheid van medische informatie waarover de arts beschikt. De term is dan synoniem met ‘medische discretie’. Integriteit wil in dit geval zeggen dat artsen (of andere zorgverleners) op vertrouwelijke, discrete wijze dienen om te gaan met het ‘dossier’ van de patiënt.

Met name in de context van de medische ethiek is het voorts van belang onderscheid te maken tussen de christelijke en de liberale uitleg van ‘objectintegriteit. In de liberale traditie is het subject de ‘eigenaar’ van het lichaam (Zwart en Hoffer 1998). Dit betekent dat het principe van integriteit convergeert met het autonomiebeginsel. Toestemming van de betrokkene maakt het lichaam (onder bepaalde voorwaarden) 'aantastbaar’ of toegankelijk. In de christelijke traditie daarentegen heeft de betrokkene het lichaam slechts in beheer. Ook het subject zelf dient de integriteit (heelheid, gaafheid) van het eigen lichaam te respecteren. De reikwijdte van het toestemmingsbeginsel is dan fundamenteel beperkt. Het gebod noli me tangere geldt dan in feite ook voor het subject zelf. Zelfmutilatie bijvoorbeeld, of verkoop van weefsels of organen (in de context van commercialisering van orgaan- en weefseldonatie), is dan problematisch.

Met name vanwege ontwikkelingen op het gebied van de transplantatiegeneeskunde heeft het integriteitsbeginsel in de medische ethiek aan betekenis gewonnen. Sinds de identificatie van bloedgroepen door Karl Landsteiner in 1900 is het menselijk lichaam in toenemende mate toegankelijk geworden. Weefsels en organen hebben zich als het ware verzelfstandigd. Dat wat door Denis Diderot in Le rêve de d’Alembert als een droombeeld, en door Mary Shelley in Frankenstein als een schrikbeeld werd beschreven, lijkt gaandeweg werkelijkheid te worden: het lichaam als onaantastbare, integere eenheid maakt plaats voor het lichaam als een aggregaat van vervangbare, zelfs uitwisselbare (en in potentie voor anderen nuttige) onderdelen.

In de seksuele ethiek reguleert ‘objectintegriteit' de omgang met het kwetsbare, nu in de zin van schendbare, menselijke lichaam van de ander. Aanraking of ‘aantasting’ vergt expliciete legitimering. In de liberale ethiek betreft dit zoals gezegd de instemming (Engels: consent) van de betrokkene. Deze instemming heft het integriteitsbeginsel niet op, maar plaatst het als het ware op een afstand. De aanraking blijft precair, de instemming conditioneel. Het integriteitsbeginsel kan echter ook de omgang met het eigen lichaam reguleren. Zelfbeschadiging of -bezoedeling is in dat geval problematisch. Integriteit is dan nauw verwant aan kuisheid of eerbaarheid, termen die naar integriteit als subjectintegriteit verwijzen. Michel Foucault heeft beschreven hoe in de geschiedenis van de seksuele ethiek een in dit opzicht beslissende verschuiving heeft plaatsgevonden. Terwijl in de Grieks-Romeinse zelfpraktijken de nadruk op zelfbeheersing lag, verschoof in de christelijke zelfpraktijk de nadruk naar integriteit. De Griekse (‘mannelijke’) aandacht voor matigheid en zelfbeheersing maakte plaats voor de christelijke (‘vrouwelijke’) aandacht voor integriteit in de zin van onbezoedeldheid. Niet gebrek aan zelfbeheersing maar bezoedeling of schennis geldt in deze context als vergrijp jegens het integriteitsbeginsel. Zoals ook in de context van de medische ethiek het geval is (zie boven) verwijst in de liberale traditie het integriteitsbeginsel primair naar de onaantastbaarheid van het lichaam van de ander.

In de politieke ethiek verwijst ‘objectintegriteit' naar de integriteit van het politieke object, bijvoorbeeld (het grondgebied van) een natie. Politieke actoren hebben niet het recht de integriteit (nu synoniem met soevereiniteit) van autonome politieke eenheden te schenden. In de sociaal-politieke filosofie en (organisatie)ethiek krijgt het begrip evenwel de meeste toepassing als ‘subjectintegriteit’, die betrekking heeft op de handelwijze van functionarissen. Ook is het gebruikelijk geworden in meer overdrachtelijke zin te spreken over de integriteit van organisaties. Aanvankelijk duidde het begrip op een relatief afgebakende categorie handelingen waarvan de morele voortreffelijkheid onomstreden is. Het was zo goed als synoniem met onkreukbaarheid. Naarmate het inzicht groeide dat deze afbakening niet houdbaar was, ging het begrip meer en meer het gehele spectrum van morele handelingen bestrijken. Het kreeg daarnaast betrekking op het vermogen om te gaan met onvermijdelijke morele spanningsvelden waarmee de manager wordt geconfronteerd. De explosieve toename van het begrip heeft geleid tot een tegenbeweging: men onderscheidt verschillende vormen van integriteit (persoonlijke, professionele, artistieke, enzovoort), die ieder ‘slechts’ op het deelgebied relevant zou zijn. Hoewel deze onderverdeling recht doet aan maatschappelijke differentiaties, is het omstreden wat de meerwaarde is om de criteria van de diverse gebieden onder de noemer integriteit te brengen.

In de dierethiek en de milieu-ethiek verschijnt integriteit primair als ‘objectintegriteit1. In de actuele dierethiek wordt de term onder meer ingezet om bepaalde modificaties (met name genetische modificaties) te problematiseren, die weliswaar niet gepaard gaan met (ernstig) ongerief maar wel een inbreuk behelzen op de integriteit (in de zin van eigenheid, eigenwaarde) van het betreffende dier. Morele integriteit problematiseert met andere woorden de feitelijke manipuleerbaarheid of plasticiteit van het object. In de context van de biotechnologie verschijnt de term in discussies over ingrepen die, in termen van ongerief, als ‘onschuldig’ worden beoordeeld, zoals het afzagen van horens of het aanbrengen van neusringen bij landbouwhuisdieren (Vorstenbosch 1993; Brom 1997). Daarnaast speelt integriteit een rol als soortintegriteit of genetische integriteit, met name in de context van discussies over gene transfer, uitwisseling van genen tussen soorten. Integriteit betekent dan dat de biologische soortbarrière als een morele barrière wordt geïnterpreteerd.

In de milieu-ethiek verwijst integriteit naar de (morele) onaantastbaarheid van (feitelijk) kwetsbare natuurgebieden of ecosystemen. Het integriteitsprincipe is in deze context synoniem met het beginsel van non-interference (Westra 1994). In de wetenschapsethiek verschijnt integriteit primair als subjectintegriteit. In deze context is de term synoniem met zorgvuldigheid en betrouwbaarheid. Zorgvuldigheid betreft de wijze waarop het wetenschappelijke onderzoek wordt verricht. Morele normativiteit convergeert in deze context met methodologische normativiteit. Betrouwbaarheid verwijst vooral naar de wijze waarop de betrokkene anderen informeert. Integriteit wil dan zeggen dat de betrokkene een betrouwbare bron van informatie is, zowel in de communicatie met andere wetenschappers als in de context van een publieke discussie. Integriteit staat dan tegenover fraude of misleiding. In de context van de wetenschapsethiek verwijst het integriteitsbeginsel met name naar situaties waarin de betrokkene in de verleiding komt methodologische concessies te doen, bij voorbeeld ten gevolge van commercialisering van wetenschap of in het geval van extreme competitie tussen onderzoeksgroepen.

Literatuur
Brom, F, Onherstelbaar verbeterd. Biotechnologie bij dieren als een moreel probleem, Assen, 1997.
Cox, D., M. La Caze, M. Levine, Integrity and the Fragile Self, Aldershot, 2003.
Fleischacker, S., Integrity and Moral Relativism, Leiden, 1992.
Foucault, M., 'Apropos de la généalogie de l’éthique’, in: Dits et Ecrits 4. Parijs, 1994, pp. 383-411.
Hoetjes, B.J., De kreukbare overheid: essays over integriteit in Nederland, Utrecht, 2000.
Jeurissen, R., A. Musschenga (red.), Integriteit in bedrijf, organisatie en openbaar bestuur, Assen, 2002.
Karssing, E., Integriteit in de Beroepspraktijk, Assen, 2006.
Kemp, P., ‘Four Ethical Principles in Biolaw’, in: P Kemp et al. (eds.), Bioethics and Biolaw II: Four Ethical Principles, Copenhagen, 2000, pp. 11-22.
Montefiore, A., D. Vines, Integrity in the Public and Private Domains, Londen, 1999.
Musschenga, A., Integriteit, Utrecht, 2004.
Storr, A., The Integrity of the Personality, Harmondsworth, 1974.
Westra, L., An Environmental Proposal for Ethics: the Principle of Integrity, Lanham, 1994.
Vorstenbosch, J., ‘The Concept of Integrity; its Significance for the Ethical Discussion onBiotechnology and Animals’, Livestock Producüon Science, vol. 36, 1993, pp. 109-112.
Zwart, H., C. Hoffer, Orgaandonatie en lichamelijke integriteit. Een analyse van christelijke, liberale en islamitische interpretaties, Best, 1998.
Zwart, H., ‘From Circle to Square: Integrity, Vulnerability and Digitalizatiori, in: P. Kemp, et al. (eds.) Bioethics and Biolaw, vol. II: Four Ethical Principles, Copenhagen, 2000, pp. 141-156.

(H. Zwart)