Geluk betekenis & definitie

Over wat geluk is, waren de meningen altijd verdeeld. Daarom is een algemeen aanvaarde inhoudelijke bepaling niet mogelijk. De eenheid van het begrip laat zich slechts formeel bepalen. Geluk is een inclusief of omvattend doel dat via concrete doelen, als begeleidend verschijnsel van slagen of van vervulling ontstaat. Geluk is bijgevolg geen onmiddellijk object van streven en kan niet direct als doel worden verwerkelijkt.

Het begrip is dubbelzinnig. Enerzijds heeft het de betekenis van geluk hebben (fortuna), het gunstige toeval dat ons onvoorzien en zonder eigen toedoen toevalt. Geluk kan anderzijds echter ook als het summum van het geslaagde leven, voor de toestand van het welbevinden (felicitas) staan. Dan zijn niet de singuliere handelingen bedoeld, maar het slagen van het leven als zodanig. Dit geluk kan met inzet van de beschikbare krachten verworven worden en wordt meestal gelukzaligheid genoemd.

Een verdere basisbetekenis van het begrip geluk ligt in de voorstelling van algemene welvaart. Hier gaat het om het grootste geluk voor het grootste aantal. Daarmee is de eis verbonden op basis van een principe van nuttigheidsmaximalisatie geluk als product van sociaal beleid te scheppen. Daarmee zijn reeds ethische implicaties aangeduid. Maar hoe zit het met de betrekking tussen het geluk en het goede? Deze vraag heeft in de loop van de tijd uiteenlopende antwoorden opgeleverd.

Historische ontwikkeling

Griekse filosofie
In de klassieke Griekse filosofie wordt het geluk niet meer (zoals nog bij de voorlopers) tot uiterlijke goederen en lichamelijke geneugten gereduceerd, maar als de goede innerlijke gesteldheid van de mens begrepen, die het juiste doet en daarin zijn tevredenheid vindt. Plato benadrukt de tegenstelling van innerlijk en uiterlijk geluk. Het gaat om de voortreffelijkheid van de innerlijke eigenschappen. Geluk wordt dus in ethische zin bepaald. Beslissend is de gesteldheid van de ziel waarin de rede dient te heersen. Geluk is daarom uiteindelijk identiek met het leven van de filosoof. Het filosofische geluk en dat wat de massa voor geluk houdt, lopen dus uiteen.

Daarentegen is geluk volgens Aristoteles niet voorbehouden aan enkele uitverkorenen, maar gemeenschappelijk aan velen. Geluk is het slagen van een gedegen, door een goede gezindheid geleid leven. Volgens Aristoteles heeft ieder wezen een voor dat wezen specifieke activiteit. Dit is het goede dat het dient na te streven. De volmaakte verwerkelijking daarvan geldt als het hoogste goed en heet geluk (eudaimonia). Omdat het specifieke van de mens in de werkzaamheid van de rede ligt, moet hij (om gelukkig te worden) zijn rede in theoretisch en praktisch opzicht tot volmaaktheid brengen, dat wil zeggen dat geluk door filosofische kennis en een daarop gebaseerde levenswijze te bereiken is. Het gaat dus niet om een proces dat aan het einde culmineert in een wensvervulling, maar het proces is zelf het doel. Wij zijn gelukkig als wij hier en nu op een bepaalde wijze leven. Een wijs en rechtvaardig leven is het summum van de gelukzaligheid. Geluk wordt dus bepaald op grond van metafysische criteria. Het is een objectieve toestand. De subjectieve gewaarwording speelt een ondergeschikte rol.

Hellenisme
Voor Aristoteles was het gelukte of gelukkige leven perse een leven als burger, in een politieke gemeenschap. Kenmerkend voor het hellenisme is het tanen van de politieke vrijheid. Het individu vindt geen steun meer in het politieke leven en wordt zelf het absolute einddoel. De consequentie van dit individualisme is de radicale privatisering van alle waarden en doelen. Het geluk wordt tot een zuivere privéaangelegenheid. De weg tot het geluk bestaat erin zich slechts zodanige doelen te stellen die men zelf te allen tijde op eigen kracht kan bereiken. Volgens de Stoa is uiteindelijk alles onbereikbaar behalve de eigen innerlijke houding ten opzichte van de dingen. Bijgevolg zijn alle dingen indifferent. Het ideaal is de wijze die zoveel mogelijk afstand heeft genomen van de loop van de wereld en die zijn gesteldheid niet afhankelijk maakt van het materiële welbevinden. Epicurus bepaalt geluk door het streven naar lust (hedonisme). Alleen lust en onlust zijn volgens Epicurus te allen tij de beschikbaar. Geluk wordt gerealiseerd door de bevrijding van de mens van de vrees (voor de goden, voor de wisselvalligheden van het leven, voor de dood).

Christendom
In het christendom wordt geluk een theologisch thema. Geluk betekent dan het laatste doel van het menselijk bestaan en dit ligt buiten de aardse voltrekking daarvan. Door geluk na te streven, gaan wij onszelf te boven. Pas bij God kan het streven vervuld worden. Daarom ligt ons geluk in de door God geschonken schouwing van God (beatitudo). Bij Augustinus volgt daaruit een zeer afstandelijke houding ten opzichte van de aardse geluksgoederen. Slechts Gods uiteindelijke heil mag men genieten (frui), slechts naar hem verlangen. De wereld en haar goederen mag men op weg daarheen slechts gebruiken (uti).

Deze strenge tegenstelling wordt door Thomas van Aquino gemitigeerd. Wel beschouwt ook hij het streven naar gelukzaligheid als het streven naar de volkomen verzadiging van de wil. Omdat dit echter uitsluitend in het volstrekt goede (bonum universale) mogelijk is, is die verzadiging slechts in God te vinden. Daarom bestaat het volkomen geluk van de mens in de gemeenschap met God. Maar volgens Thomas is reeds hier op aarde een onvolkomen deelhebben daaraan mogelijk als de mens in zijn handelen door de deugden het goede verwerkelijkt. Op deze wijze verbindt Thomas de aristotelische conceptie van een in het hier en nu mogelijk ‘goed leven’ met het door de religieuze hoop op het hiernamaals gedragen concept van het neoplatonisme (Augustinus). Weliswaar bestaat geluk alleen in de door de genade geschonken zalige schouwing van God na dit leven, maar de weg van de mens naar God is daarbij niet slechts voorbereiding op het ontvangen van het geluk, maar een groeiproces van de reeds nu ontvangen beatitudo vanuit haar onvolkomen aardse gestalte tot haar eschatologische voltooiing.

Moderne tijd
De nieuwe tijd breekt met het theonoom begrepen wereldbeeld om vervolgens uit te gaan van de antropocentrische ervaring van de wereld. Het wordt twijfelachtig of het goede leven noodzakelijk een rechtvaardig leven is en of er eigenlijk wel een algemeen begrip van het geluk mogelijk is. Wat als geluk telt wordt een zaak van het individu. Daardoor kan over het geluk niets bindends meer gezegd worden. In de plaats van het geluk als objectief gegeven goed treedt het geluk als verifieerbare gelukservaring. Criterium is dan de winst in de vorm van zinnelijke lust. Het geluksbegrip van de nieuwe tijd is daarmee sensualistisch-hedonistisch bepaald. Het verband tussen geluk en waarheid verdwijnt. Geluk is relatief ten opzichte van het karakter van de gelukkige. Geluk heeft niets meer met deugd te maken. De Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring waarin het menselijke geluksstreven tot onvervreemdbaar recht van de mens wordt, doelt niet op een objectief geluk, maar op individuele geluksgevoelens (de ervaring van lust, welbevinden en behoeftebevrediging).

Het utilitarisme probeert het moreel handelen vanuit dit geluksbegrip te bepalen. Het gaat erom gelukstoestanden te vermeerderen (hedonistische oriëntatie). Uitgaande van de ervaring dat niet alle individuen in gelijke mate tot het genot van objectieve gelukskansen geraken, ontwerpt Bentham een lustkwantificerend utilitarisme dat zich oriënteert op het grootste geluk voor het grootste aantal. De lustmaximalisatie wordt tot het hoogste gebod. Deze voorstelling van een kwantitatieve toename is echter problematisch. Een kwantitatieve verbetering betekent niet noodzakelijk een kwalitatieve verbetering. Is een kwalitatieve verbetering kwantificeerbaar (nuttigheidscalculus)? Deze problemen wil John Stuart Mill vermijden door een kwalitatieve toename tot criterium te maken. Freud is pessimistischer. Bij hem betekent geluk een aan fysiologische voorwaarden gebonden levenskwaliteit (beleven van sterke lustgevoelens). Hij begrijpt geluk als bevrediging van libidineuze prikkels en reduceert het daarmee tot het redeloze genot. Dit programma van het lustprincipe is volgens Freud echter niet vervulbaar: ‘dat de mens gelukkig is, is in het scheppingsplan niet voorzien’.

Kant
Kant breekt met de gedachte dat handelen gericht is en moet zijn op het doel van de (eigen) gelukzaligheid. Dit doel kan voor een redelijk wezen niet als consistente handelingsoriëntatie fungeren. In de eerste plaats zijn de geluksidealen van individu tot individu zo verschillend dat ze als oriëntatie voor een algemene en vaste wet zoals de moraal die vereist, volslagen ondeugdelijk zijn. De principes van de gelukzaligheid zijn slechts maximen van de eigenliefde die als zodanig geen morele criteria kunnen opleveren. Echte zedelijke oriëntatie is alleen mogelijk via de plicht. Onder gelukzaligheid verstaat Kant dat alles overeenkomstig onze wens en wil verloopt en de bevrediging van alle neigingen (KrV, B 834).

De morele wet is niet gericht op het eigen geluk, maar op het waard-zijn om gelukkig te zijn (KrV, B 838). Dat dit waard-zijn precies aan het werkelijke geluk beantwoordt, dat is het begrip van het hoogste goed. Voor Kant is dat echter alleen door een theologisch postulaat realiseerbaar. Feitelijk gaan de moraal en het verlangen naar geluk zelden samen. De praktische rede eist echter dat ze overeenstemmen. Dit geeft aanleiding tot het redelijke en gerechtvaardigde geloof in God, die deze overeenstemming kan garanderen. Kant maakt dus gebruik van een passief geluksbegrip. Geluk is iets wat iemand overkomt. Inhoudelijk begrijpt hij geluk als wensvervulling (als toestand die wij in de toekomst proberen te bereiken). Vanuit dit geluksbegrip als summum van de vervulling van de persoonlijke neigingen kan Kant een ethiek die uitgaat van het geluk als hoogste principe van het menselijk handelen overtuigend bekritiseren. Maar in de eudaimonistische ethiek wordt het geluk juist als gevolg van moreel handelen en dus zelf moreel bepaald en niet als vervulling van wensen en neigingen begrepen. Geluk is niet het loon van de deugd, maar ligt in de deugd zelf.

Recente ontwikkelingen
Door Kants kritiek werd het geluk lange tijd in de ethiek vergeten. Pas in de twintigste eeuw traden, met name vanwege het groeiende onbehagen over de procedurele ethiek, weer eudaimonistische ontwerpen naar voren (neo-aristotelisme; ‘filosofie als levenskunst’). Vanaf de jaren zeventig mocht de vraag naar de samenhang van geluk en moraal zich opnieuw in grote interesse verheugen. Deze herwaardering is gestimuleerd door zorg over contemporaine tendensen van consumentisme, waarin niet zelden de niets ontziende bevrediging van de eigen wensen (en daarmee de amoraliteit) tot handelingsprogramma wordt verheven. Dit programma tast uiteindelijk elke ethiek aan doordat het de samenhang van geluk en het goede ontkent. Daarom wordt het noodzakelijk aan te tonen dat de geluksverwachting van degene die moreel handelt, vervuld kan worden. Om te beginnen moet de gedachte dat geluk voornamelijk door bezit en gebruik van materiële goederen en door lichamelijke geneugten zou worden bepaald bekritiseerd worden. Principieel bieden deze goederen slechts kans op geluk. Ze bieden voorwaarden voor geluk, niet het geluk zelf. Beslissend is waar men plezier en vreugde aan beleeft en waarin men zich verwerkelijkt. Waar geluk is onlosmakelijk met het goede verbonden en moet als het summum van het geslaagde leven worden begrepen. Dit geluk van zelfverwerkelijking (overeenstemming met zichzelf) staat uiteindelijk in verband met de absolute vervulling van de mens en overstijgt daarmee al het vervulbare en maakbare. Geluk in deze zin als laatste doel van het menselijk handelen en verlangen gold tot het begin van de nieuwe tijd ook als doel van elke heilsverwachting. Geluk was een synoniem van heil. Pas in de nieuwe tijd werd er een onderscheid gemaakt tussen het uiterlijke aardse geluk en het innerlijke heil van een andere wereld.

Literatuur
Aristoteles, Ethica Nicomachea, vertaald door C. Pannier en J. Verhaeghe, Groningen, 1999.
Forschner, M., Über das Glück des Menschen, Darmstadt, 1994.
Freud, S., 'Het onbehagen in de cultuur’, in: Werken, verzorgd door W.Oranje, deel 9, Amsterdam, 2006 (1924-1926).
Holowchak, M.A., Happiness and Greek Ethical Thought, Londen, 2004.
Kant, I., Kritiek van de praktische rede (KpV), vertaald door J. Veenbaas en W.Visser, Amsterdam, 2006 (1788).
Seel, M., Versuch über die Formen des Glücks, Frankfurt/M., 1995.
Thomas van Aquino, Summa Theologiae, Latin text and English translation, Londen, 1964-1976.
Thomas van Aquino, Summa contra gentiles, Hrsg. von K. Albert et al., Darmstadt, 2001.

(E. Kos)

Gepubliceerd op 19-04-2017